
Start van de van Wijck/van Wijk familytree.
De boom van de familie van Wijk groeit voorspoedig.
Door elk jaar te snuffelen in nieuw vrijgegeven informatie op het internet, te zoeken naar nieuwe verbindingen en bewijsvoering op zowel het internet als in de archieven, groeit de boom. De pagina wordt met kleine stapjes gevuld.
Daar waar de bewijsvoering nog niet rond is zal dat vermeld worden.
Dank aan...
De verhalen die u hier leest, zijn voor een deel mijn eigen verhalen en bevindingen, aangevuld met informatie uit archieven en andere bronnen. Veel onderzoekers hebben in de loop der jaren hun verhalen, gegevens en onderzoeksresultaten met anderen gedeeld. Daar ben ik hen dankbaar voor.
Wanneer je al meer dan twintig jaar genealogisch onderzoek doet en in het begin het belang van bronvermelding nog niet doorhebt, raak je soms het overzicht kwijt. Gegevens kunnen verloren gaan, websites verdwijnen en informatie die ooit op internet stond, is soms niet meer terug te vinden.
Het kan daarom voorkomen dat ik oorspronkelijke informatie van een andere onderzoeker heb gebruikt, zonder dat ik nog kan achterhalen waar deze precies vandaan kwam. Heb ik uw originele informatie gebruikt en wilt u graag als bron of onderzoeker worden genoemd? Stuur mij dan gerust een e-mail met de URL naar de oorspronkelijke informatie. Ik pas de bronvermelding dan graag aan.
ginalogy@outlook.com
De boom, klik op de afbeelding
Summiere opsomming
De generaties
Vermenging stamboom van John en Gina
Door middel van DNA onderzoek hebben wij ontdekt dat John en ik dezelfde voorouders hebben. Wij zijn echte Betuwenaren van oorsprong.
Vergis je niet in de achternaam. Achternamen werden vroeger nogal eens aangepast. De namen werden vaak aangepast naar de plaats waar de persoon vandaan komt. Denk aan Leeuwen een gemeente bestaande uit Boven en Beneden-Leeuwen tot de jaren 1818.
Stukken land die zijn ingebracht, geschonken, geërfd, overgedragen of als leen zijn verkregen
Vanuit de aktes:
-
De 6 morgen te Zoelmond – De Gherecamp en Buerkamp
Bij het huwelijk van Johan van Wijck Hermanszoon en Johanna van Meerten Gevertsdochter in 1524/1525 bracht Johanna in:
- De Gherecamp
- De Buerkamp
- samen ongeveer 6 morgen
- gelegen in het kerspel
Zoelmond, in het land van Buren.
- De Merenborchscamp – circa 6 morgen
Johan van Wijck bracht aan zijn vrouw Johanna in:
- Merenborchscamp
- ongeveer 6 morgen
- gelegen in het kerspel Rijswijk.
- De Cleijn Dolage – 2 morgen
Daarnaast bracht Johan van Wijck in:
- De Cleijn Dolage
- ongeveer 2 morgen
- gelegen te Rijswijk.
Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat de pastorie van Rijswijk haar gerechtigheid daarop behield.
-
Trijessghencamp – circa 16 hond
Herman van Wijck verklaarde dat hij aan zijn zoon Johan van Wijck had gegeven:
- een stuk land van ongeveer 16 hond
- gelegen aan de Broecksteghe
- genaamd Trijessghencamp
- het was leengoed.
- De helft van de pacht van de 3 morgen De Dolage
Herman gaf Johan bovendien:
- de helft van de pacht van 3 morgen land
- genaamd De Dolage
- zolang Herman leefde.
-
De 16 hont in het Wijffdijckerveld
Dit is een tweede belangrijke lijn in de Van Wijck-bezittingen.
Uit het latere riddermatigheidsdossier blijkt:
Herman van Wijck → zijn zoon Jan/Johan van Wijck
Op 25 oktober 1530 werd Jan van Wijck, na transport door Herman van Wijck, beleend met:
- 16 hont land
- in het Wijffdijckerveld te Rijswijk.
- 2½ morgen te Rijswijk
Bij de beleening van 21 april 1570 werd Johan van Wijck Gevertsz. niet alleen met de 16 hont beleend, maar ook met:
- 2½ morgen land te Rijswijk.
Dit werd dus onderdeel van de bezittinge
- De 1½ morgen te Rijswijk – leen 5 Culemborg
Er is daarnaast een zeer interessante leenregistratie: 2 akkers, samen 1½ morgen, te Rijswijk, strekkend van de uiterdijk tot de Rijn.
In 1505:
Herman van Leeuwen Ottenz. → voor zijn zoon Albert van Leeuwen
Albert wordt dus als opvolger genoemd. In 1516 wordt Albert van Leeuwen zelf vermeld.
Dit sluit goed aan bij de andere gegevens over Albert van Leeuwen, echtgenoot van Hillegonda van Meerten.
- De 2 morgen te Rijswijkerweerd – leen Gaasbeek
Nog een belangrijk stuk:
2 morgen land in de Rijswijkerweerd, verdeeld over drie akkers, lopend van de papen-uiterdijk tot de Lek.
In 1505:
Herman van Leeuwen Ottenz., gehuwd met Jutte Albertsdochter, werd ermee beleend voor zijn zoon Albert.
In 1516 volgt:
Albert van Leeuwen Ottenz.
Dit is dus opnieuw een bezit dat via Herman van Leeuwen → Albert van Leeuwen loopt.
-
De 5 morgen in Maurik – Meerland/Roeters
Een oudere Van Leeuwen-bezitlijn betreft:
- oorspronkelijk 8 morgen in Maurik;
- in 1452 teruggebracht tot 5 morgen;
- gelegen in
het Meerland en de Roeters.

Familie van Wijck, de generaties
Floris en Gerard van Wijck
Generatie 20
Gerard van Wijck
Generatie 19
Floris van Wijck
Ridder Gerrit Florisz van Wijck
Wordt aangeduid als Ridder. Hij behoort tot de oudere generatie Van Wijck die in de omgeving van Rijswijk in de Neder-Betuwe bezittingen had.
Een belangrijke genealogische bron vermeldt:
Gerrit Florisz. van Wijck × Alijt van Leeuwen, circa 1460.
Alijt was volgens die bron een dochter van:
Herman van Leeuwen ×
Belia Ottendr. van Wijk.
Dit is interessant omdat hiermee de families Van Wijck en Van Leeuwen al vóór 1500 met elkaar verbonden waren.
In 1456 werd Gerrit Florisz. van Wijck beleend met ongeveer:3½ morgen land in Rijswijk/Nederbroek.
Daarbij werd bepaald dat het leen na Gerrits overlijden zou overgaan op zijn zoon:Herman van Wijck.
De Culemborgse leenregistraties zijn voor Gerrit bijzonder belangrijk.
De volgende gegevens uit de eerdere reconstructie:
Jaar Gebeurtenis
1456 Gerrit Florisz. van Wijck wordt beleend met ca. 3½ morgen in Rijswijk/Nederbroek
ca. 1460 Gerrit houdt land voor zijn dochter Katharina
1464 Na Gerrits overlijden krijgt Floris van Wijck o.a. 13½ hont Santstucke en 4 hont Dolage
Dit maakt Gerrit duidelijk onderdeel van de grondbezittende elite van Rijswijk.
De vermelding uit 1464 dat Floris goederen verkrijgt na het overlijden van Gerrit is belangrijk.
Daaruit volgt:
Gerrit Florisz. van Wijck was vóór 1464 overleden.
We kunnen dus voorlopig zeggen:Gerrit Florisz. van Wijck: overleden vóór/omstreeks 1464.
Sterk onderbouwd uit onderzoek
Gerrit Florisz. van Wijck:
actief vóór 1464;
ridder genoemd in een genealogische bron;
bezat/was beleend met grond in Rijswijk;
gehuwd met Alijt van Leeuwen volgens de genealogische bron;
had minstens een zoon Herman;
had een zoon/erfgenaam Floris;
had een dochter Katharina;
was vóór 1464 overleden.
Herman Gerritsz van Wijck
Herman Gerrits van Wijck × Else Hack
De meest concrete bron is een getuigenverklaring van 6 juli 1582, afgelegd door Alyt Anthonis van Wijcksdochter, toen 62 jaar oud. Zij verklaarde dat haar grootvader:
Harman van Wijck Gerritss. gehuwd was geweest met: Else Hack uit Wageningen.
Dit is de belangrijkste bron voor hun huwelijk en gezin. De verklaring werd afgelegd in het kader van het langdurige proces over de riddermatigheid van de familie Van Wijck.
Hun gezin
Volgens deze verklaring hadden Herman Gerrits van Wijck en Else Hack drie zonen:
heer Gerrit van Wijck, priester te Wageningen
Johan van Wijck
Anthonis van Wijck
De verklaring is heel duidelijk over deze drie kinderen
Herman was een belangrijke Van Wijck in Rijswijk
Herman Gerrits van Wijck behoorde tot de Van Wijcks die in Rijswijk in de Neder-Betuwe grond en lenen bezaten.
Een bijzonder belangrijke leenakte betreft 16 hond land in de maalschap van Rijswijk, in het Wijffdijckerveld.
Een genealogische bron geeft een akte van:
18 september 1491
waarin Herman van Wijck Gerritss. met deze 16 hond wordt beleend na overdracht door zijn broer Floris van Wijck Gerritsz.
Zoon Johan: In de huwelijksvoorwaarden van 1524/1525 wordt Johan genoemd als:
Johan van Wijck Hermensoon en zijn vader:
Herman van Wijck
Herman trad daarbij op als vader en gaf Johan goederen mee voor zijn huwelijk met Johanna van Meerten.
Ridder Johan Hermanszn van Wijck
Johan is getrouwd op 17-9-1524 met jonkvrouw Johanna Gevertsdr van Meerten, dochter van Gevert van Meerten en Christina van Cuyck, die in de akte Stijn/Steijne van Merthen wordt genoemd.
Dit is buitengewoon sterk gedocumenteerd door de huwelijkse voorwaarden. De bewaard gebleven kopie is gedateerd 20 september 1584, maar is gemaakt naar het verzegelde origineel. De akte zelf is gedateerd op 17 september 1524 in de slotformule; de archiefbeschrijving noemt 17 september 1525. Dat is een kleine maar echte dateringkwestie die ik bij een definitieve genealogische publicatie zou vermelden.
De akte noemt letterlijk:
Johan van Wijck Hermensoon;
Johanna van Merten, zaliger Gevertsdochter;
Stijn van Merthen, weduwe van Gevert van Merthen;
Johan van Merthen, broer van Johanna.
Johan van Meerten, hij moest haar volgens de huwelijksvoorwaarden 100 Stichtse gulden betalen na het overlijden van hun moeder.
Daarnaast is Hilgonda van Meerten zeer waarschijnlijk een zus van Johanna, omdat zij eveneens een dochter van Gevert en Christina wordt genoemd in de genealogische reconstructie. Dat is echter minder hard bewezen dan Johanna's ouderschap
Herman en Else in het riddermatigheidsdossier
Hun familie werd in de 16e eeuw geconfronteerd met de vraag of zij werkelijk tot de riddermatige stand behoorden.
In 1546 werd over Johan van Wijck Hermansz. gesproken in verband met vrijstelling van onder andere:
klokkenslag;
walgelden;
gravergelden;
ruitergelden.
De familie beriep zich daarbij op haar riddermatige afkomst.
Op 21 juni 1546 verklaarde het stadsbestuur van Nijmegen dat Herman van Wijck en zijn zoon Johan van Wijck in het ridderboek stonden.
Wat bracht Johanna in het huwelijk?
Dit is een bijzonder interessante akte omdat hij niet alleen genealogisch, maar ook financieel veel informatie geeft.
Johanna bracht in:
Land:
Twee kampen in het kerspel Zoelmond, in het Land van Buren:
Gherecamp en Buerkamp. Samen ongeveer: 6 morgen land.
Daarnaast: 50 gouden Philippusgulden contant geld.
Nog een erfdeel, Johanna had recht op:
100 Stichtse gulden
Deze zouden door haar broer Johan van Merthen worden betaald binnen een jaar na het overlijden van hun moeder.
De akte bepaalt bovendien dat Johanna na het overlijden van haar moeder opnieuw zou delen in de nalatenschap van haar moeder.
Wat bracht Johan van Wijck in?
Johan bracht in:
In Rijswijk
Merenborchscamp – ongeveer 6 morgen;
Cleijn Dolage – ongeveer 2 morgen.
Daarbij kwamen de erfgoederen die Johan had gekregen door het overlijden van zijn zoon Willem van Wijck.
Dit is een interessante vermelding: er moet dus vóór of rond 1524 een Willem van Wijck, zoon van Johan, zijn geweest die vóór zijn vader was overleden. Ik zou deze Willem niet zonder meer als een kind van Johan en Johanna opnemen, want de akte zegt alleen dat het om de erfenis van "zijn zoon Willem" gaat.
Johan kreeg ook land van zijn vader Herman.
Herman van Wijck gaf Johan:
ongeveer 16 hond leengoed gelegen aan de Broecksteghe, genaamd: Trijessghencamp.
Herman zou het leen voor Johan aan de leenheer overdragen en Johan daarmee belenen.
Maar Herman hield voor zichzelf het levenslange gebruik van dit land.
Daarnaast gaf Herman Johan:
de helft van de pacht van 3 morgen land, genaamd de Dolage, zolang Herman leefde.
Dit is belangrijk omdat het rechtstreeks de relatie Herman → Johan bevestigt.
In 1546 werd zelfs door het stadsbestuur van Nijmegen verklaard dat Herman van Wijck en zijn zoon Johan van Wijck in het ridderboek voorkwamen.
Dat is belangrijk: het is niet alleen een latere genealogische bewering; er was in de 16e eeuw daadwerkelijk een officieel dossier over hun status.
Hun relatie met de Bank van Kesteren
De Van Wijcks konden aantonen dat hun familie al lange tijd betrokken was bij de Bank van Kesteren.
In het dossier van Johan Gevertsz. wordt gesteld dat zijn voorouders vanaf minstens 1509 als gerichtslieden optraden.
Dat werd gebruikt als bewijs voor hun maatschappelijke positie en riddermatigheid.
Wat weten we over hun overlijden?
We hebben geen exacte overlijdensdata.
Maar: Johan was overleden vóór 11 november 1543; Johanna was eveneens overleden vóór 11 november 1543.
Dat is zeker, omdat de boedelscheiding van die datum wordt opgesteld voor hun vier kinderen.
De huwelijksvoorwaarden dateren van 1524/1525.
Daarmee ligt hun gezamenlijke huwelijk ongeveer tussen: ca. 1524 en vóór 1543.
Eerder is de indruk gewekt dat Johanna van Meerten zonder twijfel een dochter van Gevert van Meerten en Christina van Cuyck was én dat Hilgonda haar zus was.
Voor Johanna zelf is het bewijs inderdaad sterk: de huwelijksakte noemt haar "Johanna zaliger Gevertsdochter van Merten" en haar moeder Stijn/Christina.
Voor Hilgonda als zus is het bewijs minder direct. De genealogische reconstructie noemt haar als dochter van hetzelfde paar, maar dat moeten we als zeer waarschijnlijk en niet als absoluut bewezen formuleren.
De originele/kopie-akte is terug te vinden via het Gelders Archief, archief 0124, inv.nr. 4998, scans 190-191; de online transcriptie vermeldt ook expliciet dat de kopie in 1584 met het verzegelde origineel is vergeleken.
Geurt/Gevertszn van Wijck
Gevert van Wijck was de oudste zoon van Johan van Wijck Hermansz. en Johanna van Meerten Gevertsdochter.
Zij waren in 1548 al getrouwd.
26 oktober 1548
Gevert van Wijck gaf toen een leen in lijftocht aan zijn vrouw Janna van Leeuwen.
"Lijftocht" betekent hier dat Johanna een recht op het leen kreeg voor haar levensonderhoud, doorgaans voor haar leven.
Daarmee staat vast dat:
Gevert van Wijck + Janna/Johanna van Leeuwen in 1548 echtgenoten waren.
De boedelscheiding van 11 november 1543. Daarin worden de kinderen van Johan en Johanna genoemd:
Gevert van Wijck
Johan van Wijck
Jasper van Wijck
Anna van Wijck
Gevert wordt daarbij als de oudste zoon behandeld.
Johanna's afkomst nog verder uit te zoeken!!
Voor Johanna wordt in de genealogische fragmenten opgegeven:
Herman van Leeuwen
× Margriet Uten Weerde ???
↓
Johanna van Leeuwen
Zij zou rond 1513/1514 geboren zijn.
Hier wel onderscheid:
Haar huwelijk met Gevert en haar vader Herman zijn zeer goed onderbouwd.
De combinatie Herman van Leeuwen × Margriet Uten Weerde is afkomstig uit de genealogische reconstructie van Plomp en is minder hard dan de gerechtelijke verklaringen over haar huwelijk en vader.
Er zijn namelijk meerdere personen met de naam Herman van Leeuwen, waaronder Herman van Leeuwen de Oude/de Grote, waardoor deze generatie niet zonder meer gelijkgesteld mag worden. Dit is precies een punt waar we voorzichtig moeten blijven.
Gevert als erfgenaam
Bij de boedelscheiding van 1543 kreeg Gevert onder andere:
een kamp land te Rijswijk;
het leengoed dat van zijn vader afkomstig was;
een bedrag van 80 Philippusgulden, dat op rente stond.
Het leengoed dat van zijn moeder afkomstig was, moest tussen de kinderen worden verdeeld.
Dit is belangrijk omdat Gevert hierdoor duidelijk als de oudste erfgenaam van Johan van Wijck en Johanna van Meerten naar voren komt.
Zijn vrouw was:
Johanna (Janna) van Leeuwen Hermansdochter
In de bronnen wordt zij ook genoemd als:
Johanna van Leeuwen;
Janna van Leeuwen;
joffer Johanna van Leeuwen;
de weduwe van Gevert van Wijck.
De verklaring van 24 juli 1577 noemt expliciet:
Gevert van Wijck trouwde met Johanna van Leeuwen, dochter van Herman van Leeuwen de oude te Maurik.
Dat is een belangrijke onafhankelijke getuigenverklaring.
Het belangrijke leen van 16 hond
In het dossier van Johan Gevertsz. wordt een bijzonder belangrijke leenlijn genoemd.
Het ging om: 16 hond land in het Wijffdijckerveld te Rijswijk.
De opeenvolging was: 25 oktober 1530
Na overdracht door Herman van Wijck werd diens zoon Jan van Wijck met het land beleend.
26 oktober 1548 Na het overlijden van Jan van Wijck Hermansz. werd diens oudste zoon:
Gevert van Wijck met het leen beleend.
Gevert was ziek, waardoor zijn broer Jan van Wijck Jansz. voor hem de hulde deed.
21 april 1570
Na het overlijden van Gevert werd zijn zoon:
Johan van Wijck Gevertsz.
met het leen beleend.
Daarbij kreeg Johan ook 2½ morgen land te Rijswijk.
Dit geeft een zeer fraaie erfopvolging:
Herman van Wijck → Jan van Wijck → Gevert van Wijck → Johan van Wijck
Gevert moet vóór 21 april 1570 overleden zijn
Dit is een belangrijk chronologisch gegeven.
Op 21 april 1570 werd Johan Gevertsz. namelijk met het leen beleend na het overlijden van zijn vader Gevert.
Daarom kunnen we met zekerheid zeggen:
Gevert is overleden vóór 21 april 1570.
Johanna leefde toen nog, want zij wordt later expliciet als weduwe van Gevert genoemd.
Kinderen gevonden vanuit de akte 1577 Riddermatigheid:
Johan Gevertsz van Wijck
Cornelis van Wijck
Johanna's zeer belangrijke verklaring van 1582
Dit is voor mij één van de waardevolste documenten in jouw hele onderzoek.
Op: 5 januari 1582 verklaarde:
jonkvrouw Johanna van Leeuwen, weduwe van Gevert van Wijck, ongeveer 68 jaar oud
voor het stadsbestuur van Wijk bij Duurstede.
Zij deed dit op verzoek van Adriaen van Leeuwen Aelbertsz.
Als zij ongeveer 68 was, komt haar geboorte inderdaad uit rond:
1513/1514.
Zij verklaarde dat haar vader:
Herman van Leeuwen Hermansz.
en haar grootvader:
Herman van Leeuwen Jansz.
uit Maurik afkomstig waren.
Zij zei dat zij "van aver tot aver" — dus van voorouders/generaties her — van één stam en bloed waren.
Daarmee bevestigt zij zelf een oude Van Leeuwen-afkomst uit Maurik.
Johanna verklaarde ook over Adriaen van Leeuwen
De verklaring van Johanna was vooral bedoeld om de afkomst van Adriaen van Leeuwen Aelbertsz. te ondersteunen.
Zij verklaarde onder meer over:
Hermen van Leeuwen Ottensz.
en zijn zonen:
Jeriphaes/Jerefaes van Leeuwen
Aelbert van Leeuwen
Aelbert was de vader van Adriaen.
Hierdoor is Johanna een belangrijke getuige voor de genealogie van de Van Leeuwens.
Johanna verklaart over de oudere Van Leeuwen-generaties
Op 14 september 1582 verklaarde Johanna opnieuw. Daarbij wordt:
Hermen van Leuwen Ottensz. genoemd.
Hij zou uit zijn huwelijk hebben gehad:
Jeriphaes van Leeuwen
Aelbert van Leeuwen
Aelbert was de vader van Adriaen van Leeuwen Aelbertsz.
Dit is relevant omdat het laat zien dat Johanna zelf als oudere vrouw in 1582 nog genealogische informatie over de Van Leeuwens kon leveren.
Nog een belangrijk genealogisch bewijs
Op 24 juli 1577 verklaarde kanunnik Beernt uten Enge dat:
Johan van Wijck getrouwd was met Johanna van Merthen;
uit dat huwelijk kwamen Gevert, Johan, Jasper en Anna;
Gevert trouwde met Johanna van Leeuwen;
Johanna was de dochter van Herman van Leeuwen de Oude te Maurik.
De Van Wijcks konden aantonen dat hun voorouders al vanaf minstens 1509 als gerichtslieden bij de Bank van Kesteren optraden.
Johan van Wijck Gevertsz.
Hier komt nog een bewijslast issue
Johan van Wijck Gevertsz.
Is deze Johan getrouwd met Jenneke van Brienen? Geen akte gevonden. Nu bewijzen dat het land, welke via deze families is doorgegeven, ook bij deze Johan of een van zijn zonen terecht is gekomen.
Deze Johan was degene die in de jaren 1570 uitgebreid bewijs verzamelde om de riddermatigheid van de familie Van Wijck te bewijzen.
Hij kon onder andere oude leenakten en verklaringen aanvoeren.
In 1582 verklaarde Alyt Anthonis van Wijcksdochter dat:
haar grootvader Harman van Wijck Gerritss. met Else Hack was getrouwd;
hun zoon Johan met Johanna van Meerten was getrouwd;
Johanna de moeder was van Gevert van Wijck;
Gevert de vader was van Johan Gevertsz. van Wijck.
Dit is genealogisch bijzonder waardevol omdat de verklaring meerdere generaties achter elkaar noemt.
Adriaen van Wijck
Adriaan
* rond 1585, overleden na 7-3-1611.
X voor 7-3-1611 Cornelia van Ratingen/ Cornelie van Raettingen
Weduwe van Bartholomeus Evertsen(getrouwd zeker 16-03 -1608)
Zus van Wyn(tgen)/Wijnanda X Thonis Janssens Zeccher/Segher
en Willem van Raettingen, rentmeester St. Petersgasthuis X Naell Sluyskens
Willem; Luitenant van hopman Johan Jordens
Ws. dochter van Claes van Ratingen aangezien zij later in zijn huis woont waar hij is verstorven
X Erntgen van Harn/ Eerentjen van Hern
Erntgen herX Rhenen 3-9-1637 Bernt (Beernt)Wesselsz,
* Rhenen ca. 1612
Adriaan is kerkmeester/kerkbestuurder. Dat houdt in dat hij o.a. de boeken bijhoudt. Deze
Adriaen trouwt twee keer. Eerst met Cornelia van Ratingen en later met Erntgen van Harn. Adriaen krijgt voor zover ik dat kan zien 3 kinderen. De gegevens heb ik gehaald uit de boeken van Anton C. Zeven. Ik heb zijn delen van ongeveer 12.000 bladzijdes wel 10 keer gelezen.
Zij wonen in Wageningen. Adriaen leeft in de tijd dat er een verbod geldt op uitoefenen van andere Godsdiensten dan de “Ware evangelische religie”. Er zijn regelmatig dijkdoorbraken Grebbedijk/Grebbekade. De schade van deze doorbraken reikt tot aan Amersfoort.
Zijn kinderen groeien op in een tijd van de tabaksteelt en de oprichting van de schippersgilde en snijders- en kleermakersgilde.
Inwonerslijsten dorpen Nederbetuwe 1634-1723 MARSCH Adriaen van Wijck woonende op de mert en gepacht het goet van't Convent tot ...., sijn huijsvrou, 1 knecht en 1 meijt. Samen 4 personen.
A 7. Akte voor schepenen van Wageningen waarbij Hermen Henricx; Steven Stevensz en
Jenneken Henricx, echtelieden; mede namens Anneken van Bronckhorst, echtgenote van Hermen Henricx; Cornelis Roest en Naeleken van Brienen, echtelieden; Adriaen van Wijck en Cornelia van Ratingen, echtelieden; en Gerrit Versteech en Henrica van Anholt, echtelieden, verkopen aan Henrick van Brienen, burgemeester van Wageningen en Clara van der teegh,echtelieden, ongeveer zeven hond land op het Esveldt, benoorden het Huppat en bezuiden de Haarwech, plus een halve morgen op de bovenste Esvelden gelegen,
benoorden de Middelwech en bezuiden het Huppat, 19 dec. 1623
1 charter, zegel niet meer aanwezig
1-3-1611 631
Peter Janssen van Velp, gezworen stadbode, heeft gegicht dat hij op donderdag 21-02-1611 's namiddags tusen 3 en 4 uren in handen van de huisvrouw van Bruin van Noll in zijn absentie geleverd heeft een open bezegelde weetbrief van peinding, geschied ter instantie van Willem van Ratingen (rentmeester St. Pietergasthuis Arnhem x 1633 Naleken Sluysken) en Claes Janssen als gemachtigden van Adriaen van Wijck als man en momber zijner huisvrouw Cornelie van Ratingen, dewelke hem ten antwoord gaf: zij wiste wel van de zaak en zij wilde deze weet haar man leveren, zo balde hij thuis kwam [enz.];
Cornelie van Raettingen, weduwe van Bartholomeus Evertzen. Ws dochter van Claes van Raettingen
Gelders archief 632 7-3-1611
Engel ten Nyenhuiss juratus dixit dat hij ter instantie van Thoniss Janssen als man en momber zijner huisvrouw op 06-03-1611 bezaat gedaan heeft aan de helft van derdehalfhonderd gl., toekomende Cornelie van Raettingen, tegenwoordige huisvrouw van Adriaen van Wyck te Wageningen, en gewezen weduwe van zal. Batholomeus Evertzen, staande gehypothekeerd of bevestigd op de behuizing van zal. Claes van Raettingen, nu Bruyn van Nolde toekomende, staande in de Oeverstraat [N.B. fol. 270: tussen huis en hofstad zal. Gaert de Haes erfgenamen ter ener- en de steeg naar de Beek ter andere zijde], en dat voor de helft van 100 gl. kapitaals, mitsgaders de interesse van dien, die Cornelia en haar man, zal. Bartholomeus, de arrestant beloofd hebben op Petri 1604 naar inhoud magescheid d.d. 10-01-1604;
De vrouw van Thonis Jansen is Wyn/Wynanda van Raettingen
Weetbrief van peinding: Een akte waarin eene gerechtelijke aanzegging of insinuatie is vervat.
Hervormde gemeente Arnhem Kerkvoogdij 1576
37 Heer Derrick van der Kuyl verklaart namens de Observanten te Arnhem ontvangen te hebben van Derrick Boumeyster en Claes van Ratingen, kerkmeesters, 6 guldens, welke door wijlen Naell Scillinck vermaakt waren
Kinderen Adriaen van Wijck X Cornelia van Ratingen en Adriaen van Wijck X Erntgen van Harn:
- Adriaan van WijkX Merritien van Crackouw
- Nicolaes (Claes) van Wijck X Jenneke Janssen Ossecamp
- Bartholt van Wijck
-Johan van Wijck X Hendersken Luyb, volgende generatie
Bartelt van Wijck
Bartelt van Wijck
X Willemke van Dompselaer
X Nieske Gerrits Comen
Een ingewikkeld huwelijk.
Vroeger trouwde men met diverse familieleden om geld en land in de familie te houden. Kinderen trouwde met kleinkinderen van dezelfde vader/opa.
Bartelt hertrouwt Neeske Gerrits Coman, weduwe van Jan ter Keus.
Samen met Jan ter Keus/Kuis krijgt zij dochter Jenneke ter Keus
Jenneke ter Keus trouwt Henric Luijb.
Dochter is Jenneke Luijb trouwt Jacob Jansen Vermeer.
Dochter is Willemijna Vermeer x haar neef Bartelt van Wijck.
Henrick Luyb is schoutamt Heteren in de Overbetuwe
Hendersken Luyb* ca. 1636 en man Jan van Wijck verkopen 1/7 deel van 2 morgen land in ’t Vlot te Driel
Willemijnte Vermeer doop 5-4-1663 te Driel, begraven 7-10-1735 te Wageningen
Rijcxken Goossen van Herwaerden * ca. 1605, overleden voor 13 december 1653
Jacob Vermeer, kerkmeester en erfpachter in Overbetuwe, buurmeester van Driel
X 18-10-1657 Driel met Jenneke Luijb (deze is getrouwd in 1695 met Rutger Florissen van Hall)
Jenneke Lueb * ca. 1634 is in 1695 lidmaat te Driel als weduwe van Jacob Vermeer. Ook lidmaat 23-3-1704
Jacob Vermeer gebroren te Randwijk
Jenneke ter Kuijs dochter van Jan ter Kuijs en Niesken Gerritsen
Snap je het nog ;-).

Johan van Wijck
X Hendersken Luyb
* Driel 1636, overleden 25-11-1720
Dochter van Hendrick Luijb en Rijcxken Goossens Luijb, trouwt 2de keer met Jenneken ter Kuys/Keus
Johan’s vrouw Hendersken is een zus van Jenneke Luijb. Zij hebben beide dezelfde vader Henric Luib
Zoon Bartholt van Hendersken trouwt met de dochter van halfzus Jenneke Luijb > Willemina Vermeer
Kinderen:
1. Bartholt van Wijck

Bartholt van Wijck
X Metjen Henricsen
X Willemina Vermeer
Bartholt trouwt zijn nicht.
Matthijs van Wijk
doop Wageningen 1703, overleden 9 november 1781
x Johanna Anneveld
* ca. 1705 – overleden Wageningen 13-2-1790
Dochter van Jan Annevelt/d en Maria Leitink
Matthijs is gedoopt te Wageningen in 1703. Hij koopt zitplaats nr. 55 in de kerk voor Fl. 2,10 van Gerhardus Vulsend. Hij koopt dus ook een stukje aanzien. Ook betaalt de familie voor een begrafenis met “de groote klok”. De klokken, de grote dus, beierde bij de begrafenis van Matthijs. Anthonij van der Horst is Kerkmeester van Wageningen rond 1703. Hij is de “administrateur.”
Vermelding verdient nog, dat in de kerktoren drie klokken hangen. 1. Een brandklok,
hoog 1.10 m., ml. 1.18 m. Zij heeft als opschrift: ‘Jesus, Maria, Johannes. Anno domini
MCCCCLXI. 2. Een luidklok, hoog 0,80 m., ml. 0,92 m. met het opschrift: "Me fecit
Cyprianus Crans Janz. Amstelodami. Anno 1743". 3. De grote klok, hoog 1,10 m., ml.
1,36 m. Het eerste randschrift van deze klok luidt: "Doer dat vyer byen ick gevloten.
Peter van Tryer en Wyllem Evers hebben my gegoten". Een tweede randschrift: "Vivos Convoco, Mortuos Plango", en verder: "Voor de kercke tot Wageningen int jaer onsses Heeren 1627".
De opkomst van de tabaksteelt na 1680 zorgt voor veel werkgelegenheid. De zwaar bemeste zandgronden bij de stad blijken zeer geschikt voor de verbouw van dit handelsgewas. Dankzij deze cultuur klimt Wageningen aan het einde van de achttiende eeuw op tot een van de rijkste steden van het kwartier van Veluwe.
In de loop van de negentiende eeuw gaat de teelt van inlandse tabak echter, als gevolg van de invoer van tabak uit Amerika en uit Nederlands Indië, steeds verder achteruit tot zij rond 1900 geheel verdwenen is.
Matthijs
X Johanna Anneveld.
Johanna vertrekt met attestatie op 2-5-1760 naar Amsterdam. Matthijs leeft nog en gaat mee??? Dat moet nog uitgezocht worden.
Matthijs en zijn kinderen groeien op in een Stadhouderloze tijdperk (1702 -1747), de tijd dat er een strijd heerst welke benoemd worden als de Gelderse plooierijen. De strijd tussen de protegés van Willem III (na het kinderloos overlijden van deze hardvochtige leider koos men buiten Friesland en Groningen geen nieuwe stadhouder en meer democratische gezindten. In 1707 zijn er onlusten wegens het benoemen van regenten waardoor er een expeditie Arnhemse corpsen naar Wageningen komt. De poorten worden beschoten en Wageningse burgemeesters worden gevangen genomen.
Er zijn overstromingen van de Gelderse vallei door doorbraak van de Grebbedijk. In 1724-25 verschijnen er voor het eerst straatverlichting op palen. Wanneer het laatste kind Tjitske is geboren is er door Nijmegen en Wageningen gezamenlijk het Lexkesveer gekocht en wordt de Grebbelinie aangelegd. In 1755 verwoest een hagelbui het grootste deel van de tabaksteelt.
Er wordt in de Rijn nog op zalmen gevist. Dhr. Hovestad wordt officieel aangesteld als zalmvisser op de Rijn en vangt in 1777 143 zalmen, in 1781 slechts 1 en in 1782 waren het er 34. In 1795 wordt de stad bezet door het Franse leger. 1795-1813 Een deel van de stad is van de Bataafse republiek, koninkrijk Holland en Frans Keizerrijk. Het burgerrecht verliest zijn betekenis. De ambachtsgilden worden opgeheven.
Matthijs vertrekt naar ’s Hertogenbosch (garnizoenstad en Doesburg, idem) Nergens tref ik bewijs aan dat Matthijs in het leger zat. Den Bosch was een belangrijk vestingstadje als verbintenis tussen het noorden en zuiden(Fransen) alleen gedurende zijn verblijf heb ik geen tekenen van belang gevonden om daar te zijn.
Kinderen:
1.Jenneke van Wijck,
doop Wageningen 17-4-1729
X Hendrik van Deelen
Commissaris van Bloemendaal
Wonende in de Wolvestraat
Heeft zus Willemijntje van Deelen, wonende te Amsterdam als erfgenaam, mocht zij overlijden dan zijn zuster Trijntje van Deelen getrouwd met Willem Beerns Ondertal, wonende te Deelen , de kinderen van zijn overleden zus Maria van Deelen(x Melchior Rolbach-> kinderen Elizabeth en Jan)
Voor Jenneke is algehele erfgenaam haar moeder Johanna Annevelt, weduwe van Matthijs van Wijk -> bij haar overlijden aan haar zuster Maria van Wijk, huisvrouw van Aart van Baak en de 4 kinderren van haar overleden broer Jan van Wijk (van Petronella van Rooijen)
2.Johannes (Jan) van Wijck,
zie volgende voorouder
Doop 19-12-1730 Wageningen
3.Maria van Wijck,
* 17--, overleden 10-5-1760
X 31-5-1755 Wageningen 31-5-1755 Aert/Aart Hermens van Baak
Aart is al weduwnaar van Johanna Ros
Doop 21-9-1732, overleden, begraven 27-7-1801
Zoon van Herman van Baak en Elisabet van Suijlen
4. Cornelia van Wijk
* , doop Grote Kerk ’s Hertogenbosch 27-6-1738
5.Cornelia van Wijck,
doop Doesburg 19-12-1742. Nederduits gereformeerd
6.Tjitske/Tijske van Wijck,
doop Wageningen 10-10-1745
Johan van Wijck
* Wageningen 19-12-1730, overleden 1765
Lid Kleermakersgilde
1759 Portier aan de Nudepoort waar hij woont
Huijs en erf aan de Capelstraat
Zie hiernaast doopinschrijving en trouwinschrijving
X Wageningen 15-2-1755 Peternell(a) van Rooijen/Roije
* Wageningen 9-2-1730, overleden aldaar 28-2-1781
Dochter van Jan van Rooijen en Hiltje/Heiltje van Manen
Petronella is gedoopt 9-2-1730 en begraven 28-8-1781 te Wageningen.
In 1765 kocht Petronella grafnr. 196: Drie steenen staat erbij vermeldt. Zijn dit drie graven?. In 1781 wordt de bevolking geteisterd met de “Roode Loop” of wel dysentrie. Peterronella bezwijkt in dit jaar op 28-8-1781 aan deze ziekte. Zij wordt begraven met de Groote klok. Je betaald een X bedrag aan de kerk en de grote klokken beierden op de dag dat je werd begraven.
Jan(Johannes) was Poortier aan de Nudepoort. Een poortwachter. Deze opende de deuren en inden het poortgeld. Hieronder een foto ter illustratie van het tijdsbeeld van de familie van Wijck.
Kinderen:
1. Matthijs
* Wageningen 1756, overleden 19-9-1756
2. Jantje(Jannetje),
* 10-8-1759 doop Wageningen 12-8-1759, overleden 9-3-1834
X Jan Wasmoth/Wasmuth
* Wageningen
3. Dirk (Derk),
* Wageningen 26-9-1762. Zie volgende generatie
4. Willem,
* Wageningen 18-1-1766, dp 21-1-1766, overleden Rhenen 20-7-1849
X 3-11-1791 Amsterdam Marij Berends of Willems Onderstal
Maria is woonachtig te Amsterdam wanneer zij trouwen
* Deelen (Otterlo), doop 5-2-1769, overleden Wageningen 17-10-1832
Dochter van Willem Berends Onderstal en Trintje Rikse of Riksdr, Trijntje Rijksen
5. Johanna,
doop Wageningen 7-4-1768

Dirck van Wijck
* Wageningen 26-9-1762, overleden Wageningen 10-6-1810
OT Wageningen 4-4-1789
X Amsterdam Nolleke Cornelisse / Neuleke Cornelisdr. / Naleke Corniess aka
Arnolda van Rooijen
Nolleke woont in Amsterdam
Doop Wageningen 7-2-1764, overleden Wageningen 31-7-1805, begraven 3-8-1805
Dochter van Cornelis Teunisse en Gerritje Geritsen
Info:
21-2-2015 Het volgende gevonden:
Jantje Krift is geboren 3-7-1749 als dochter van Klaas Krift en Gerritje Bransen / Geertje Geertse/Gerritje Gerrits. Zelfde persoon als onderstaande
Neulke Cornelisse/Neulke Teunisse is geboren 7-2-1764 als dochter van Cornelis Teunisse en Gerritje Gerritse. Gerritje Gerritzen herX 22-2-1760 Cornelis Teunissen. Cornelis is weduwnaar van Neuleken Hermsen
Neulke Cornelisse en Jantje Krift zijn halfzusters dus Hendrik Koning en Derk van Wijk zijn zwagers.
Hendrik Koning, beroep soldaat. Hij ligt te Namen in Garnizoen.
Waar heeft Dirk gewoond in Wageningen?
Dirk heeft gewoond aan de Capelstraat A302, A303, 204.1,1248 hoek Kerkstraat.
Op 30-1-1790 krijgt Dirk aan de Agterstraat het halve huijs, halve hof en halve bomgaer aan de Noordzijde.
Deze gegevens komen van Anton C. Zeven uit de boeken “Wie woonde waar in Wageningen”.
Hierin staat vermeld dat Dirk zwager van Hendrick Koning wordt genoemd. Hendrick Koning is getrouwd met Jantje Crift (Krift) . Hendrik is metzelaarsknecht. Is hij door vererving een vermogend man?
Er wordt door een magescheid een groot huis in tweeën gedeeld.
Een deel aan Hendrik en Jantje en een deel aan Dirk en Naleken.
Magescheid:
Een huis, hof en bongaert i/d Agterstraat van outs genaamd Krifts Bongaert
aan Hendrik Koning en Jantje Krift.
Aan de noortsijde het halve huijs sig scheidende op de middelmuur met twee woningen aen voornoemde sijde van het huijs, dan nog den halve hof en halve bomgaer aan dNoordsijde, zoo als die tans door paele afgebaekt is. (Bijgeschreven: N.B. en word bedongen van het huijs dat niet sal moge verkoft werde als met voorkeur van den anderen).
Dan word aan Derk en Naeleke toe en aenbedeelt het halve huijs a/d Suijtsijde tot a/d Middelmuer met de woninge aen die zijde staende, nevens de halve boomgaert en den halve hof aen de Suijtsijde aen de wederhelft dien Hendrik Koning en Jantje Krift echtel. boven zijn aen en toebedeeld en sullen de halve verponding en halve tiens door jeder half moete betaald worden. N.B. Tins 1790: Hendrick Koning, die met Jantje Krift, de laatste? Wageningse afstammeling van de familie Krift getrouwd was, en Derck van Wijk ieder de helft. Zij worden zwagers genoemd. Dit kan alleen als Naeleke Cornisse een halfzuster van Jantje Krift is.
Kinderen:
1. Petronella
Doop Wageningen 18-4-1790, overleden 24-8-1805
Overleden 3 weken na de dood van haar moeder.
2. Jan
De volgende voorouder, zie E.
*17-2-1793
3. Cornelis
* 17-4-1796, doop 21-4-1796, overleden Wageningen 8-4-1834
Beroep: Kuipersknecht
Rond 1819 vertrekt hij, net als zijn broer Jan, naar Holland. In 1820 wordt hij, i.v.m. de verkoop van het ouderlijk huis in de Capelstraat genoemd als kuiper te Ouderkerk a/d Amstel. In 1838 oefent hij zijn vak nog steeds uit maar dan in Amsterdam.
Cornelis blijft in Amsterdam en heeft onder andere in 1828 in de Rechtboomsloot 42 gewoond. Cornelis is Nederlands Hervormd. Bij beroep staat Kuiper te Amsterdam/Ouwerkerk aan de Amstel. Ik heb de trouwakte van Cornelis en Maria en de geboorteakte van de eerste dochter Arnolda Catharina van Wijk
4. Gerrit
Doop Wageningen 7-2-1799
Beroep: Bakker/broodbakker
Nederlands Hervormd
X Amsterdam 12-5-1824 Albertje Dekker
Huwelijksgetuige Marten Dekker, vader.
Doop Amsterdam 22-8-1794, overleden voor 1851 (gezien de bewoning in het register 1851-1853 waar zij niet meer wordt genoemd) geboorteakte aanwezig
Beroep: Dienstbode
Dochter van Marten Dekker, scheepstimmerman en Jannetje/Jannetie van der Linden
Hij woont in Wageningen in de Kerkstraat hoek Kapelstraat en in Amsterdam in de Papenburgwijk 5 1303 en op 1-4-1853 Klein Kattenburg buurt 676. Later woont Gerrit aan Klein Wittenburgstraat 78.. De aktes van Gerrit zijn in mijn bezit.
Gerrit vertrekt naar Amsterdam met zoon Dirk en zoon Marten. Zij hebben een dienstbode, Anna Maria Gijzelman waarmee zoon Dirk later trouwt.
Is in 1820 bakkersknecht te Amsterdam. Hij is met Jan en Cornelis duidelijk op zoek naar betere vooruitgang dan zij in Wageningen kunnen krijgen. In 1838 is hij nog steeds werkzaam als bakker in Amsterdam.
Uit bovenstaand blijkt dat eerst vader Gerrit hoofdbewoner is en later hij bij zijn zoon Dirk gaat inwonen. Dirk trouwt met de dienstbode, welke na dood moeder in huis kwam, Anna Claria Gijzelman.
5. Jantje
Doop 30-9-1802, overleden 13-10-1802
Jantje heeft 13 dagen geleefd.
6. Jannetje
Doop 28-5-1804, overleden 9-3-1823
Jannetje is naaister van beroep en overlijdt op 18 jarig leeftijd in Wageningen
Bij wie hoort dit?
Jantje doop 12-10-1802 Wageningen
In 1818 woont zij met tantje Jantje in haar ouderlijk huis aan de Capelstraat. Wellicht is zij na de dood van haar vader bij tante Jannetje en oom Johannes Wasmoth in huis genomen. In 1838 is zij betrokken bij de finale overdracht van de Capelstraat aan neef Jan van Wijk Willemszoon
7. Nelke
Doop. Overleden 24-8-1805, Begraven 26-8-1805
Nelke is niet ouder geworden dan 2 jaar
Jan van Wijk
* Wageninen 13-2-1793, doop 17-2-1793
Overleden Roden 26-10-1858
X Amsterdam 9-8-1815 Marretje Korst
* Ankeveen 21-5-1794 overleden Roden 17-1-1859
Dv. Thomas Korst en Hilletje Pas
Kinderen:
1. Dirk
* Amsterdam 30-9-1816
2. Hendrik
* Amsterdam 30-4-1818
3. Nulleke
* Amsterdam 12-8-1822
4. Thomas
* Veenhuizen 7-6-1825
5. Jan
* Roden 29-10-1827
6. Arnoldus Martinus
* Roden 29-11-1829
7. Hilletje
* Roden 14-4-1832
8. Hendrik
* Roden 10-1-1834
9. Cornelis
* Roden 26-3-138
N.a.v. een artikel in De Krant, d.d. 26-1-2016 07:47 en een ander Rodersch onderzoek
Jan en Marretje van Wijk – van Amsterdam en Veenhuizen naar de Roderesch
Het verhaal van Jan van Wijk en Marretje Korst is het verhaal van een gezin dat in de eerste helft van de negentiende eeuw verschillende keren opnieuw moest beginnen. Via Wageningen verhuisde ze naar Amsterdam vanwege economische redenen. Vanuit Amsterdam en Veenhuizen kwamen zij uiteindelijk terecht in Roden en daarna op de Roderesch. Daar bouwde Jan met zijn gezin een nieuw bestaan op als bakker. Hun kinderen groeiden er op en hun nakomelingen zouden later een groot deel van Drenthe en het Westerkwartier bereiken.
Veel van wat we over Jan en Marretje weten, komt uit familieverhalen, genealogisch onderzoek en oude akten. Juist die combinatie maakt hun geschiedenis bijzonder. Soms bevestigen de akten een verhaal, soms zetten ze er juist een vraagteken bij.
Veenhuizen, rond 1825
Jan van Wijk werkte in Veenhuizen bij het derde gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid. Hij was daar bakker. Zijn vrouw Marretje Korst werkte als linnenwerkster.
Veenhuizen was in die jaren nog volop in ontwikkeling. De Maatschappij van Weldadigheid probeerde er een nieuwe samenleving op te bouwen voor wezen, bedelaars en andere mensen die volgens de ideeën van die tijd moesten worden opgevoed en aan het werk gezet. In de praktijk was het leven er hard en waren de omstandigheden lang niet altijd zoals men ze van tevoren had bedacht.
De familie Van Wijk woonde daar met hun kinderen. De kinderen zaten niet opgesloten in het gesticht, maar konden zich vrij in de omgeving bewegen. Dat gaf hun ruimte, maar bracht ook gevaren met zich mee.
Een gebeurtenis uit 1825 zou later een belangrijke rol krijgen in het familieverhaal.
De overlijdensakte van 12 november 1825
In het Archief van Noordenveld werd een oude overlijdensakte gevonden, onder de ingang van het Gemeentehuis. Hans de Vries, het hoofd van het archief, hielp bij het ontcijferen van het document. Dat is bij dergelijke oude akten niet eenvoudig. De inkt is in bijna tweehonderd jaar vervaagd en sommige woorden zijn nog maar moeilijk te lezen.
De datum op de akte is 12 november 1825.
Twee gestichtswachters van het derde gesticht in Veenhuizen hadden de tocht gemaakt naar het Huis te Westervelde. Dat huis wordt toen en ook nu bewoond door de familie Tonckens. In 1825 woonde er Johannes Tonckens, die toen burgemeester van Norg was. Hij was de betovergrootvader van Hans Tonckens, die met zijn schone borgvrouwe Tjitske boer en houtvester was op dezelfde borg.
De twee wachters kwamen vanwege een tragisch ongeval. In de zesde wijk was een zesjarig jongetje verdronken. In de overlijdensakte wordt hij genoemd als Hermannus van Wijk. Achter zijn naam staat de bijzondere omschrijving: “een vondeling of verlatene wezen genoemd, want de ouders’ namen zijn niet bekend.”
Dat laatste is opvallend, want we weten dat Jan van Wijk en Marretje Korst in diezelfde periode in het derde gesticht werkten en kinderen hadden.
Hermannus was niet Hendrik
Bij nader onderzoek kwamen er meer vragen.
Eerst werd gedacht dat deze Hermannus misschien de Hendrik van Wijk was die in 1818 in Amsterdam was geboren. Dat leek een mogelijkheid, maar inmiddels is duidelijk dat dit niet kan.
Er is namelijk een andere overlijdensakte gevonden waarin staat dat Hendrik van Wijk op 27 juli 1833 is overleden. Hij was toen vijftien jaar oud. Hij kan dus niet het zesjarige jongetje zijn geweest dat al op 12 november 1825 verdronk.
De akten maken daarmee duidelijk dat Hermannus en Hendrik twee verschillende kinderen waren.
Dat is belangrijk voor het verhaal van Jan en Marretje. Het eerdere idee dat de naam Hermannus in de akte een vergissing was en dat het eigenlijk om Hendrik zou gaan, moet worden losgelaten. De akten bewijzen het tegendeel.
Wat er precies met Hermannus aan de hand was en waarom hij in de akte als vondeling of verlaten wees wordt omschreven, is daarmee nog niet opgelost. Wel staat vast dat er in het derde gesticht een gezin Van Wijk woonde en werkte en dat de kinderen zich buiten het gesticht konden bewegen.
Het is mogelijk dat het verdrinken van Hermannus diepe indruk heeft gemaakt op Jan van Wijk. Binnen de familie is het verhaal doorgegeven dat deze gebeurtenis mede de reden was waarom Jan de Maatschappij van Weldadigheid de rug toekeerde. Dat is echter een familieverhaal en wordt niet rechtstreeks door een akte bewezen.
De Norgervaart en de harde werkelijkheid van Veenhuizen
Het vertrek van Jan en Marretje uit Veenhuizen moet ook worden gezien tegen de achtergrond van de problemen waarmee de Maatschappij van Weldadigheid in die jaren te maken had.
Een goed voorbeeld is de aanleg van de Norgervaart.
Men had er ten onrechte vanuit gegaan dat het hoogteverschil tussen de Smildervaart en de ligging van Veenhuizen niet zo groot was. Sluizen waren niet aangelegd.
Toen de Norgervaart in 1823 feestelijk werd geopend en de dam werd doorgestoken, bleek hoe groot de fout was. Bijna de hele Smildervaart liep leeg, terwijl de Norgervaart overstroomde. Boten in de Smildervaart stootten op de grond.
Dat was extra vervelend omdat juist via deze route het vervoer van wezen en bedelaars naar Veenhuizen moest plaatsvinden.
Voor de mensen die vanuit Amsterdam kwamen, was de tocht naar Veenhuizen sowieso al een zware reis. De mensen zaten dicht op elkaar gepakt op de vrachtvaarders. Onderweg stierven veel wezen.
Burgemeester Johannes Tonckens had het er maar druk mee. Er moesten voortdurend overlijdensakten worden opgemaakt.
Tegen deze achtergrond probeerden Jan en Marretje met hun gezin hun eigen weg te vinden.
Van Veenhuizen naar Roden
Toen Jan en Marretje Veenhuizen verlieten, trokken ze naar het nabijgelegen Roden. Ze vonden een eenvoudig huisje aan het begin van het Oosteinde van Roden, aan de weg richting Peize. In het kadaster van 1832 komt dit overeen met de percelen 419 en 420. Deze stonden toen op naam van Tjepke Eenes, landbouwer te Roden.
Rond 1830 hadden Jan en Marretje als buren onder anderen Jan Siegers, arbeider en inlands kramer, en Jan Weitering, timmerman.
Toen ze in Roden kwamen wonen, hadden Jan en Marretje volgens de latere familiegegevens vier kinderen.
Jan probeerde in Roden zijn vak als bakker voort te zetten. Volgens de familieoverlevering had hij aan de Brink van Roden een bakkerij. Maar waarschijnlijker is dat hij omstreeks 1830 bij Roelof Pieters Deodatus in dienst was.
Deodatus was in die tijd dé bakker van Roden. Hij was geboren in 1765 en had een bakkerij tegenover de Brink, aan het Zuideinde, op nummer 158, op de hoek van de Heerestraat en de toenmalige Norgerweg, die destijds Riepenveldsterweg werd genoemd.
Deodatus was getrouwd met Trientien Samuels Oosterhof, dochter van Samuel Eites Oosterhof. Ook de familie Oosterhof had een bakkerij, aan de Norgerweg op nummer 160. De Deodatussen en Oosterhofs woonden zelfs naast elkaar.
Door zijn huwelijk met Trientien werd de positie van Roelof Pieters Deodatus als dorpsbakker nog sterker. De familie Deodatus was bovendien door afkomst en huwelijk verbonden met vooraanstaande families als de Krijthes, de Datema's en de Aukema's.
Voor een jonge bakker uit Amsterdam was het daarom waarschijnlijk niet eenvoudig om in Roden voor zichzelf te beginnen. Een vreemde bakker zou nauwelijks kans hebben gehad om Deodatus concurrentie aan te doen. Het ligt daarom voor de hand dat Jan bij Deodatus in dienst was.
Misschien was het zelfs Deodatus die Jan rond 1827 naar Roden liet komen om zijn bakkerij draaiende te houden. Deodatus was toen 62 jaar oud en overleed in 1830. Zijn zoon Roelf Roelfs Deodatus was in 1827 pas dertien jaar en dus nog veel te jong om de bakkerij over te nemen.
Jan van Wijk kon in die situatie goed van pas komen.
In 1830 werkte er overigens nog een andere knecht in de bakkerij: de 31-jarige Jan Jans Tonnis.
Kinderen en een overlijden
In de jaren dat Jan en Marretje in Roden woonden, groeide hun gezin verder.Uit de genealogische gegevens blijkt dat in de Roder periode nog drie kinderen werden geboren:
Jan, geboren in 1827;
Arnoldus Martinus, geboren in 1829;
Hilletje, geboren in 1832.
Maar het gezin kreeg ook een zwaar verlies te verwerken. Hun enige dochtertje Nulleke overleed in 1828, zes jaar oud.
Hoewel Jan werk had en het gezin daardoor verder door de tijd kwam, zal het geen rijk bestaan zijn geweest.
Daarbij was er nog een ander probleem. Jan en Marretje kwamen uit Amsterdam en Veenhuizen en waren daardoor buitenstaanders in een Drentse boerengemeenschap.
De ouders en de twee oudste jongens zullen aanvankelijk waarschijnlijk vooral Hollands hebben gesproken. Hoe gemakkelijk werden ze in Roden opgenomen? Ging Marretje naar de kerk op de Brink en vond zij daar aansluiting bij andere vrouwen? En hoe ging het met de jongens?
Derk was in 1830 veertien jaar en Hendrik twaalf. Gingen zij naar school? Leerden zij daar Drents? Werden ze als stadse jongens eerst buitengesloten?
We weten het niet precies. Maar dat er een verschil was tussen de nieuwkomers en de inwoners van Roden ligt voor de hand.
Hoe werd een Van Wijk uiteindelijk een Van Wiek?
Hermannus bleek niet Hendrik te zijn
Een belangrijk onderdeel van de zoektocht naar de familie Van Wijk kwam aan het licht bij de overlijdensakte van 12 november 1825. Daarin wordt een zesjarige Hermannus van Wijk genoemd, die in de zesde wijk van Veenhuizen was verdronken.
Omdat uit andere gegevens een Hendrik van Wijk, geboren in 1818, naar voren kwam, werd aanvankelijk aangenomen dat Hermannus en Hendrik dezelfde persoon waren. De gedachte was dat de naam Hermannus in de overlijdensakte mogelijk verkeerd was opgeschreven en dat het in werkelijkheid om de zesjarige Hendrik ging.
Bij nader onderzoek bleek dat echter niet te kunnen kloppen.
Er kwam namelijk een andere overlijdensakte tevoorschijn waarin staat dat Hendrik van Wijk op 27 juli 1833 overleed. Deze Hendrik was op dat moment nog in leven en kan daarom onmogelijk de zesjarige jongen zijn geweest die al op 12 november 1825 verdronk.
Daarmee staat vast dat Hermannus en Hendrik niet dezelfde persoon waren. De eerdere aanname dat de in 1825 overleden Hermannus eigenlijk Hendrik van Wijk was, moet dus worden losgelaten.
De akte van Hendrik uit 1833 is daarmee vooral belangrijk omdat deze een eerdere veronderstelling over de akte van Hermannus uit 1825 onderuit haalt. Het zijn twee verschillende kinderen, en daarmee blijft de identiteit en achtergrond van de in 1825 verdronken Hermannus voorlopig een afzonderlijke vraag binnen de geschiedenis van Jan en Marretje van Wijk.
Van Roden naar de Roderesch
In het begin van de jaren dertig veranderde de situatie opnieuw.
Wanneer de jonge Roelf Roelfs Deodatus de bakkerij van zijn vader overneemt, is er voor Jan kennelijk geen plaats meer. Ook als zelfstandige bakker in Roden was er voor hem weinig ruimte.
Het is mogelijk dat Deodatus hem heeft geholpen om een stukje grond aan de rand van de Roderesch te krijgen. Het is ook mogelijk dat dit na de dood van Roelof Pieters gebeurde en dat de familie Deodatus Jan richting de Roderesch heeft geholpen.
Daar kon hij immers opnieuw als bakker beginnen. En waarom zou hij zijn oude klantenkring in Veenhuizen niet vanaf de Roderesch kunnen bedienen? Waarschijnlijk begon Jan vanuit Roden al met het bezorgen van brood in Veenhuizen.
Het meel kwam van de standerdmolen achter het kerkhof, waar in die jaren Engberts Geerts van Esch molenaar was.
In welk jaar Jan precies naar de Roderesch verhuisde, is niet helemaal zeker. Op de kadasterkaart van 1832 is er in ieder geval nog geen woning te zien. Daarom wordt ongeveer 1833 als mogelijk verhuisjaar genoemd.
Aan de westkant van het meest zuidelijke akkercomplex van de Roderesch lagen strubben en hakhout. Het perceel, sectie H 192, was in 1832 eigendom van de markegenoten van Roden. Waarschijnlijk moest het hakhout eerst worden gekapt en gerooid voordat er een huis kon worden gebouwd.
Volgens de overlevering kreeg het huisje een lemen vloer en een oven, passend bij het bakkerswerk dat Jan daar ging doen.
Het huisje stond met de gevel naar het westen, aan het uiteinde van het Laontje, de latere Kaatsweg.
Naast het huis kreeg Jan de beschikking over een aantal kleine stukjes bouwland.
Jan en Pieter Willems: de eerste bewoners
Jan van Wijk was niet de enige die zich daar vestigde.
In 1834 werd iets zuidelijker, in hetzelfde gebied met strubben, een huisje gebouwd voor Pieter Willems, die tot dan toe in de Schoolstraat in Roden woonde.
Pieter Willems was tussen 1770 en 1780 geboren in Tongeren in België. Hij verdiende de kost als inlands kramer en muzikant.
Jan van Wijk en Pieter Willems waren de eerste bewoners van de Roderesch. Zij werden de stamvaders van grote families die in de negentiende en twintigste eeuw een belangrijk deel van het leven op de nieuwe nederzetting zouden vormen.
Lange tijd waren zij daar de enige bewoners aan de rand van de es en het eindeloze Ronerveld, dat toen ook wel Rieperveld werd genoemd. Op de topografische kaart van 1855 staan alleen hun twee huisjes aangegeven.
Het was een eenzame wereld achter de es, aan de rand van het dorpsgebied. In het voorjaar tot en met de late herfst waren er natuurlijk wel voortdurend boeren uit Roden aan het werk. Zij ploegden, mestten, zaaiden en oogstten op de akkers.
Maar de nieuwe bewoners van de Roderesch woonden letterlijk aan de rand van de samenleving.
De Roderesch zou uitgroeien tot een typisch negentiende-eeuws heidedorp, waar mensen woonden die aan de rand van de maatschappij stonden: muzikanten, inlandse kramers, losse arbeiders, bezembinders en anderen die niet gemakkelijk een vaste plek in het gewone boerenleven vonden.
Jan en Marretje hoorden bij die eerste groep bewoners.
De bakker van de Roderesch
Op de Roderesch begon Jan zijn eigen broodbakkerij.
In zijn plaggenhut had hij een lemen gedeelte en een oven. Daar werd voor dag en dauw gebakken.
De verse platte stoeten werden vervolgens op een ezel geladen. Jan vertrok ermee naar Veenhuizen om de broden bij de Maatschappij van Weldadigheid af te leveren.
Daar kende men hem nog. De man die ooit zelf in het derde gesticht had gewerkt, kwam nu terug als zelfstandige bakker.
De tocht naar Veenhuizen duurde ongeveer twee uur heen en terug en liep waarschijnlijk via Steenbergen en Een. Het is goed mogelijk dat Jan niet altijd zelf ging en dat ook een van zijn zoons de broodbezorging deed.
Het meel kwam nog altijd van de molen aan de zuidkant van het dorp.
Het mooie verhaal over Jan als bakker en broodbezorger op de Roderesch is afkomstig uit de familieoverlevering. Wie de oorspronkelijke informant was voor het verhaal in Huizen en bewoners Roderesch is niet bekend.
Het gezin groeit
Jan en Marretje kregen ook op de Roderesch nog kinderen.
Na de drie kinderen die in de Roder periode waren geboren — Jan in 1827, Arnoldus Martinus in 1829 en Hilletje in 1832, volgde in 1838 nog een zoon: Cornelis. Hij werd genoemd naar Jan's jongere broer in Amsterdam.
Jan en Marretje waren toen allebei al bijna 45 jaar oud.
In 1836 was hun dochter Hilletje overleden. Er waren toen nog vier jonge jongens in huis. Met de geboorte van Cornelis in 1838 was het gezin compleet.
Het gezin was inmiddels stevig verbonden geraakt met de Roderesch, al bleef de band met Roden en Veenhuizen bestaan.
De eerste sociale contacten
Hoe het sociale leven van Jan en Marretje er precies uitzag, weten we niet. Maar er zijn wel aanwijzingen. Jan kwam geregeld bij mulder Van Esch in Roden en zal voor zijn werk en andere zaken regelmatig naar het dorp zijn gegaan. Daarnaast kwam hij natuurlijk in Veenhuizen vanwege zijn bakkerij en de broodbezorging.
Voor Marretje moet het leven anders zijn geweest. De bewoning op de Roderesch en in Alteveer kwam pas later goed op gang. Haar wereld was daardoor klein. Een belangrijke buurvrouw was Grietje, de tweede vrouw van Pieter Willems. Zij was in 1833/1834 tegelijk met Marretje zwanger. Dat alleen al zal voldoende reden zijn geweest voor het nodige overleg tussen de twee vrouwen. Later kwam daar schoondochter Geessien bij.
Voor de rest zullen de contacten van Marretje met de buitenwereld waarschijnlijk beperkt zijn geweest. In Roden had zij, behalve voor de kerkgang, vermoedelijk weinig te zoeken. De jongens zullen waarschijnlijk in Roden naar school zijn gegaan. Daar leerden ze Drents en kregen ze contacten met andere kinderen.
Toen ze ouder werden, kwamen ze op de Rodermarkt en op de Pinkstermarkt in De Leek. Misschien kwamen ze ook wel eens in de stad. Ze moesten worden gekeurd voor de Nationale Militie en sommigen zullen inderdaad in militaire dienst zijn geweest.
De familie in Wageningen, Amsterdam en Ankeveen
Ondanks hun nieuwe leven in Drenthe waren Jan en Marretje hun familie in het westen niet vergeten. Er waren verwanten in Wageningen, Amsterdam en Ankeveen.
Reizen was in die tijd echter bepaald niet eenvoudig. Als er contact was, zal dat vooral per brief zijn gegaan.
Opvallend is dat de kinderen die in het noorden werden geboren, trouw werden vernoemd naar ouders, broers en zusters uit de familie.
Het verleden bleef dus aanwezig.
Misschien vertelden Jan en Marretje hun kinderen over hun eigen jeugd, over Wageningen, over Ankeveen en over hun tijd in Amsterdam.
Een regelmatig bezoek aan de familie was praktisch uitgesloten. De spoorlijn tussen Groningen en het westen, die pas in 1870 werd aangelegd, hebben Jan en Marretje niet meer meegemaakt.
Toch bleef er ook via officiële zaken een verbinding met Wageningen bestaan. In 1838 was er nog een familietransactie.
Het ouderlijk huis in de Capelstraat was in 1820 door Jan en zijn broers en zuster, zijn zogenaamde Geschwister , verkocht aan hun tante Jannetje en oom Willem.
Toen tante Jannetje overleed, liet zij haar helft kennelijk na aan haar neven en nichten.
Jan, zijn broers Cornelis en Gerrit uit Amsterdam en zijn zuster Jantje gaven vervolgens toestemming om hun aandeel door te verkopen aan hun neef Jan uit Wageningen, de zoon van hun oom Willem van Wijk.
Deze transactie leverde de broers een bedrag op. Ze hoefden daarvoor kennelijk niet naar Wageningen te reizen. Waarschijnlijk gingen de afspraken per brief heen en weer.
Ook op deze manier bleef de band met de familie bestaan.
De kinderen gaan hun eigen weg
In de jaren veertig begonnen de zoons van Jan en Marretje hun eigen leven op te bouwen.
Het bijzondere is dat meerdere zoons later eveneens in het bakkersvak terechtkwamen.
In 1848 verlieten drie zoons het ouderlijk huis:
Thomas werd bakkersknecht in Haren.
Jan ging naar Haarlem.
Arnoldus Martinus ging naar Onnen.
Hendrik en Cornelis waren toen nog jong. Hendrik was veertien en Cornelis tien jaar. Zij zullen hun ouders op hun beurt hebben geholpen met het bakken en bezorgen van brood.
De bakkerij was inmiddels dus niet alleen het werk van vader Jan, maar ook iets waarmee de jongens opgroeiden.
In 1854 kwam Jan terug uit Holland. Hij nam toen de bakkerij over.
Misschien was tegen die tijd de ezel inmiddels verruild voor een paard en een kar.
Voor Jan van Wijk, die inmiddels de zestig was gepasseerd, kwam daarmee langzaam het moment om een stap terug te doen.
Dirk en Geessien
Ook in de familie gebeurde ondertussen veel.
In december 1834 trouwde de oudste zoon Dirk. Hij was toen net achttien jaar oud en trouwde met de negen jaar oudere Geessien Alberts Hulsebos.
Het was geen zogenaamde shotgun wedding.
Geessien was de zus van Lute Hulsebos, die in 1825 als eerste een boerderijtje in het veld bij Alteveer had gebouwd.
Dirk en Geessien vestigden zich in Alteveer.
Het huwelijk zal in huize Van Wijk misschien wel voor enige opschudding hebben gezorgd. Dirk was nog zo jong. En wie moest vader Jan nu helpen met de broodbezorging naar Veenhuizen?
Thomas was immers nog geen tien jaar oud.
Misschien was er in Steenbergen een mooie bruiloft, waarbij Pieter Willems voor de muziek zorgde.
Dirk werd later de stamvader van een tak van de familie die verder naar het Westerkwartier verhuisde.
Jan Moezie
Een andere tak bleef dichter bij de Roderesch.
Een van de nakomelingen was Albert van Wijk, die bij het zogenaamde Poepenbos woonde.
Albert kreeg een zoon die opnieuw Jan van Wijk heette. Deze Jan werd later vooral bekend als Jan Moezie.
Aan die bijnaam zit een bijzonder verhaal.
Jan Moezie sloot een weddenschap met de notoire slimmerik Jan Gerrits, die in zijn tijd ook wel de Koning van de Roderesch werd genoemd.
De weddenschap liep erop uit dat Jan van Wijk een levende muis inslikte.
Vanaf dat moment bleef de naam Moezie aan zijn nageslacht verbonden. Tot op de dag van vandaag dragen nakomelingen deze naam.
Zo ook Ab Moezie, een zoon van Jan.
Ook Ab was een opvallende figuur.
Hij was een oprechte natuurliefhebber. Regelmatig reed hij op zijn brommertje, in die tijd ook wel een stoomfiets genoemd, op zijn witte gympies richting de Norgerduinen.
Ik vroeg mijn vader eens waarom Ab zulke witte gympies droeg.
Zijn antwoord was:
“Dan kan hij hard weglopen als hij betrapt wordt bij het spannen.”
Spannen was voor Ab Moezie ongeveer wat tegenwoordig pornofilmpjes bekijken is. Met één verschil: Ab keek niet naar een scherm, maar zocht de tafereeltjes zelf op in de Norgerduinen.
Bakker Jan en de volgende generatie
Een andere zoon van bakker Jan van Wijk was zijn gelijknamige zoon Jan van Wijk, geboren aan de Peizerweg in 1827.
Deze Jan bleef later op de ouderlijke stee aan het Laontje wonen, op de plek die tegenwoordig ongeveer tussen Kaatsweg 16 en 20 ligt.
Zijn zoon Eltjo kreeg een dochter, Grietje. Zij trouwde met Jan van der Heide, de grootvader van de huidige bewoner met dezelfde naam.
Eltjo had ook een zoon Jan.
Deze Jan ging later wonen aan het verlengde van de Esweg. Tegenover zijn boerderij werd later het nog steeds bestaande woonwagenkamp Berkenheuvel gesticht.
Op het bescheiden boerenerfje woont tegenwoordig zijn zoon Luut.
Luut was lange tijd melkrijder, net als zijn vader Jan van Wijk.
Voor zijn vader was dat werk echter geen vrije keuze. Hij kon moeilijk vast werk vinden. Steeds opnieuw werd hij door tijdelijke werkgevers weggestuurd.
Ook zijn laatste baas wilde uiteindelijk van Jan af.
“Geef mie dan papieren met,” smeekte Jan.
De man was gelukkig de beroerdste niet. Hij schreef een briefje, vouwde het zorgvuldig dicht, verzegelde het en dichtlikte het. Daarna gaf hij het aan Jan.
“Kiek, dit krieg ie met... geef dat moar an je volgende baos,” kreeg Jan als boodschap mee.
Jan nam het briefje mee naar zijn volgende werkgever.
Toen hij het afgaf, schoot die na het lezen in een vrolijke lach.
“Waorom lach ie?” vroeg Jan.
“Lees maor,” antwoordde zijn baas.
Op het briefje stond:
Dit is Jan van Wiek...
Kej jij m bruuken...
Ikke niet...
De laatste jaren van Jan en Marretje
In de jaren na 1840 bleef Jan van Wijk zijn bakkerswerk voor Veenhuizen voortzetten.
Zijn opgroeiende zoons Thomas, Jan, Arnoldus Martinus, Hendrik en Cornelis zullen hem daarbij korte of langere tijd hebben geholpen. Dat zoveel van zijn zoons later zelf bakker werden, is opvallend. Het vak ging als het ware van vader op zoon.
In 1848 gingen Thomas, Jan en Arnoldus Martinus hun eigen weg. Hendrik en Cornelis waren nog te jong en bleven voorlopig bij hun ouders.
Toen Jan in 1854 terugkwam uit Holland, nam hij de bakkerij over.
Voor vader Jan kwam daarna langzaam de tijd om het rustiger aan te doen.
Jan en Marretje gingen de laatste jaren bij hun zoon wonen.
Ze waren inmiddels oud geworden en hadden een leven achter de rug waarin ze meerdere keren opnieuw hadden moeten beginnen: vanuit hun eerdere leven in het westen naar Veenhuizen, van Veenhuizen naar Roden en vervolgens naar de Roderesch.
Ze hadden armoede en onzekerheid gekend, maar ook een eigen bestaan opgebouwd.
Jan had zijn vak als bakker nooit losgelaten. Zelfs toen hij niet meer voor een baas werkte, bleef hij brood bakken en bracht hij met zijn ezel, en later mogelijk met paard en wagen, zijn brood naar Veenhuizen.
De plek die hij ooit als werknemer had verlaten, bleef zo onderdeel van zijn leven.
Jan en Marretje overleden kort na elkaar. Jan van Wijk overleed in oktober 1858. Marretje Korst overleed in januari 1859. Ze werden beiden in Roden begraven.
Ze lieten zeven zonen na en konden terugkijken op een leven waarin ze hun kinderen een toekomst hadden gegeven.
Van Veenhuizen naar de Roderesch
Het verhaal van Jan en Marretje is uiteindelijk het verhaal van een gezin dat steeds opnieuw een plek moest zoeken.
In Veenhuizen werkte Jan als bakker en Marretje als linnenwerkster. Daar maakten zij de harde omstandigheden van de eerste jaren van de Maatschappij van Weldadigheid mee. De verdrinking van het jongetje dat in de akte van 1825 als Hermannus wordt genoemd, is daar een onderdeel van. Maar de akten laten inmiddels ook zien dat dit kind niet dezelfde persoon was als Hendrik van Wijk, die op 27 juli 1833 overleed.
Die ontdekking verandert niet het verhaal van Jan en Marretje, maar maakt het juist zorgvuldiger. Niet alles wat ooit over de familie is verteld, kan zonder meer uit de akten worden bewezen. Sommige gebeurtenissen zijn familieoverleveringen, andere worden rechtstreeks door documenten bevestigd.
Wat wel duidelijk naar voren komt, is de lange weg die Jan en Marretje hebben afgelegd. Van Wageningen naar Amsterdam in het westen, naar Veenhuizen. Van Veenhuizen naar Roden.
En uiteindelijk naar de Roderesch, waar zij tussen de strubben aan het eind van het Laontje een eenvoudig huis bouwden.
Daar begon Jan opnieuw als bakker.
Voor dag en dauw werd het brood gebakken. De platte stoeten werden op een ezel geladen en naar Veenhuizen gebracht. Dezelfde plek waar hij ooit had gewerkt, werd nu zijn belangrijkste klant.
Rondom Jan en Marretje groeide op de Roderesch een nieuwe gemeenschap. Hun kinderen trokken later verder, naar andere plaatsen in Drenthe en het Westerkwartier. Sommigen werden bakker, anderen kozen een ander beroep. Ze kregen grote gezinnen en hun nakomelingen zijn nog altijd terug te vinden in de omgeving.
De geschiedenis van Jan en Marretje is daarmee ook het begin van een veel grotere familiegeschiedenis. Het verhaal over hoe Jan vanuit het westen naar Drenthe kwam, is doorgegeven door Jan Slofstra. Hij is vijf generaties van Jan van Wijk verwijderd, net als ik. Het zijn onze oud-ouders. En misschien is dat wel het mooiste aan dit soort familieonderzoek: een oude akte, een naam die niet klopt, een verhaal dat van generatie op generatie is doorverteld en een eenvoudige plaggenhut aan het einde van een zandweg kunnen samen ineens een leven zichtbaar maken dat bijna tweehonderd jaar geleden begon.

Arnoldus Martinus van Wijk
* Roden 30-11-1829, 16:00, overleden Paterswolde 2-5-1908
Beroep: Bakkersknecht, bakker, broodbakker te Eelde (1860)
X Haren 15-3-1854 Ana Willems Smit
* Haren 1828, overleden 2-9-1859
Dochter van Willem Alberts Smit, smid en Aaltje Roelfs Smit, wonende de Haren
Huwelijksgetuige zijn Thomas van Wijk, 28 jaar bakker, wonende te Vries en Jan van Wijk, broer, bakker en wonende te Haarlem
en een broer van Anna, Roelof Smit, smid en wonende te Haren.
Beide wonende te Haren
X Eelde 11-5-1861 Janna Nessing
* Vries 3-3-1836, overleden Paterswolde 11-11-1903
Beroep: Dienstmeid
Dochter van Markus Nessing, landbouwer en Janna Bijmolt
nalatenschap Arnoldus:
Fl. 565, 3 woningen met erf en een akkertje bouwland te Eelde en Vries. Eelde 4 ares en 7 centiares en te Vries 7 ares en 40 centiares. Dat zijn ongeveer 4 tennisbanen of 1/6 voetbalveld.
Mijn lijn gaat verder via Ana Willems Smit via haar zoon Jan.
Kinderen:
1. Jan van Wijk
* Onnen (Haren) 28-11-1854, overleden Eelde 11-4-1946
2. Annechien van Wijk
* Haren 14-5-1858, overleden Paterswolde 19-11- 1858
Arnoldus vestigt zich 31-5-1858 met Anna in Haren. Volkstelling 1874 woont hij in Eelde B 241.
Het zit het gezin niet mee. Eerst overlijdt dochter Annechien op de leeftijd van anderhalf jaar en daarna moeder Anna op 31 jarige leeftijd.
Het huis waar zij in wonen wordt in 1859 verkocht. Het gezin verhuist naar een ander pand, B241, alwaar vader Arnoldus een broodbakkerij begint. Arnoldus hertrouwt Janna Nessing.
Jan ten Pas, vrijwillig medewerker van historisch vereniging ‘Ol Eel’ kon mij het volgende vertellen:
Op 28-5-1864 is het huis van Arnoldus Martinus in brand verwoest. Hij is nu gerouwd met Janna Neesing.
Hij woont daar met Luite Wieringa en Adolf Heithuis (toekomstig schoonvader van de broer van Arnoldus) in Paterswolde, Wijk B95. Het huis was verzekerd maar de inboedel van Arnoldus niet. De burgemeester schreef 29-5-1864 een brief aan de Comm. van de Koningin.
Eelde, Inv. nr 9: 29 mei 1864, nr 209: dat in de behuizing van Albert Hoenderken te Paterswolde, Wijk B95, bewoond door 3 huisgezinnen m.n. genoemd Adolf Heithuis, Arnold van Wijk & Luite Wieringa brand is ontstaan ten gevolge waarvan het huis geheel is afgebrand alsmede de inboedels van de beide eerstgenoemden en verder dat het huis tegen billijke brandschade is verzekerd, doch gene inboedels, terwijl de oorzaak der brand geheel onbekend is.
Op 31-05-1864, nr 218 schrijft de burgemeester een brief aan Gedeputeerde Staten: Ik neem de vrijheid UEG hierbij over te leggen een adres (brief)van A. Van Wijk om eene collecte te mogen houden in de gemeenten Vries, Roden, Peize en Norg met beleefd verzoek hem dit te willen toestaan uit hoofde de man bekend staat als een zeer oppassend mensch, door de plaatsgehad hebbende brand van den 28 dezer als het ware alles verloren heeft en werkelijk ongelukkig is geworden.
Op 20 juni 1864, nr 238 volgt dan nog de volgende brief:
Onder terugzending van het adres van Arnoldus van Wijk, van beroep bakker te Paterswolde, ons ge …onleesbaar…bij resolutie van UEG van den 15 dezer hebben wij in antwoord op die resolutie de eer te berigten dat genoemde persoon in deze gemeente eene collecte heeft gehouden dewelke heeft opgebragt de som van f 90.
Op 29 juli 1864 schrijft de burgemeester aan GS, dat de collecte door en voor Arnoldus van Wijk, bakker van beroep te Paterswolde, heeft opgebracht:
Vries f 40, Roden f 32, Norg f 24 en Peize f 20. Met de opbrengst van Eelde heeft Van Wijk dus f 206 als startkapitaal. Waarschijnlijk net genoeg om zijn huisraad weer enigszins op orde te brengen
Op 20 juni 1864, nr 238 volgt dan nog de volgende brief:
Onder terugzending van het adres van Arnoldus van Wijk, van beroep bakker te Paterswolde, ons ge …onleesbaar…bij resolutie van UEG van den 15 dezer hebben wij in antwoord op die resolutie de eer te berigten dat genoemde persoon in deze gemeente eene collecte heeft gehouden dewelke heeft opgebragt de som van f 90.
Op 29 juli 1864 schrijft de burgemeester aan GS, dat de collecte door en voor Arnoldus van Wijk, bakker van beroep te Paterswolde, heeft opgebracht:
Vries f 40, Roden f 32, Norg f 24 en Peize f 20. Met de opbrengst van Eelde heeft Van Wijk dus f 206 als startkapitaal. Waarschijnlijk net genoeg om zijn huisraad weer enigszins op orde te brengen.
Bevolkingsregister Eelde 1861-1874, Arnold woont B241
In deze akte kom ik kind Marretje tegen welke ik nog niet gevonden had.

Jan van Wijk
* Onnen (Haren) 28-11-1854 15:00 uur, overleden Eelde 11-4-1946
Beroep: Bakker
X Eelde 7-5-1881 Mina Rutgers
* Paterswolde 12-8-1859, overleden Eelde 4-7-1952
Beroep: Diensmaagd
Dv. Jan Harms Rutgers en Annechien Veenhuis
Kinderen:
Kinderen:
1. Annechien
* Paterswolde 2-8-1881, overleden 12-1-1962
X Eelde 23-3-1907 Jan van Hemmen
* Aduard 9-7-1882, overleden 14-9-1968
Beroep: Landbouwer
Zoon van Antonie van Hemmen en Fennechien Vrieling
2. Arnoldus Martinus van Wijk,
* Paterswolde 3-4-1883, overleden
X Zuidlaren 18-5-1912 Grietje Abels
* Gasteren( Anloo) 21-09-1886
Dochter van Abel Abels en Geertruid Stoffers, logementhoudster
3. Anna van Wijk,
* Paterswolde 16-3-1885, overleden Beilen 17-12-1935
X 4-11-1903 Beilen Willem Pots
* Beilen 23-2-1878, overleden Assen 14-09-1950
Beroep: bakker
Zoon van Gerrit Pots en Hillegien Snijder
4. Jantje van Wijk,
* Paterswolde 25-5-1887, overleden 9-4-1978
X Eelde 19-6-1919 Francois Jozef Kniphorst
*Paterswolde ( Eelde) 24-5-1897 15:00, overleden 25-5-1985
Beroep: Landbouwer
Zoon van Casper Everhard Kniphorst, vervener en Catharina Blom
5. Jan van Wijk,
* Paterswolde 25-8-1889
6. Harm van Wijk,
* Paterswolde 6-6-1891, overleden 19-10-1982
X Zuidlaren 25-7-1923 Geertruida Liebe
* Zuidlaren 14-11-1899, overleden 1-5-2003 103 jaar
Dochter van Jan Liebe en Tietje Rabbens
7. Markus/Max van Wijk,
* Paterswolde 10-3-1894, overleden 13-2-1980
X 22-4-1926 Geertje Roeper/Roezer
* Zuidbriek 8-5-1901, overleden 29-11-1982
Begraven De Duinen Paterswolde
Dochter van Harm Roeper, expediteur en Grietje Holthuis
8. Egberdina van Wijk,
* Paterswolde 1-2-1897, overleden 10-3-1897
9. Egberdina van Wijk,
* Paterswolde 24-1-1898, overleden Eelde 3-3-1933
X Eelde 9-9-1920 Heero Nieborg
* Slochteren 21-12-1891, overleden 24-12-1948
Beroep: slager
Zoon van Hisko Nieborg en Klaassien Blakema
10. Mina van Wijk,
* Paterswolde 1-5-1900, overleden Groningen 13-3-1924
Geschiedenis Vennerstraat, café van Wijk
Aan de Vennerstraat, op de hoek met de Hoofdweg in Paterswolde, stond jarenlang Café Van Wijk. Het was niet alleen een café, maar maakte deel uit van een groter familiebedrijf met een winkel, een boerenbedrijf en verschillende vormen van handel. In de loop van de tijd werd het pand bovendien gebruikt als vergaderlocatie en later als theater, fotozaak en pizzeria. Daarmee veranderde de functie van het gebouw meerdere keren, terwijl de plek aan de Vennerstraat gedurende lange tijd een rol bleef spelen in het dorpsleven.
De geschiedenis van het pand gaat terug tot het begin van de negentiende eeuw. Het stond vlak bij de historische ingang van het landgoed De Braak en was oorspronkelijk bekend als ‘De Tromp’. Tijdens de Franse tijd zouden er trompetters in het pand zijn ondergebracht. In verband daarmee werd ook de naam ‘Het Tromphuis’ gebruikt. Hoe dit precies is gegaan, is niet volledig uit de bronnen op te maken, maar de namen De Tromp en Het Tromphuis zijn met de geschiedenis van de plek verbonden.
De omgeving van Paterswolde en Eelde maakte in deze periode grote veranderingen mee. Na de Slag bij Leipzig in oktober 1813 begon de Franse overheersing in Nederland snel af te brokkelen. Op 15 november 1813 verschenen de Kozakken voor de poorten van Groningen. In Paterswolde en Eelde werden later verhalen verteld dat ook Kozakken in het dorp waren gelegerd. Een van die verhalen houdt verband met hun contacten met de plaatselijke bevolking. Er werd zelfs beweerd dat in sommige Eelder families nog kenmerken van Kozakken zouden zijn terug te zien, bijvoorbeeld in haarkleur en gelaatstrekken. Daarvoor bestaat echter geen bewijs. Het gaat om een dorpsverhaal dat door de jaren heen is doorverteld en dat daarom wel onderdeel is geworden van de overlevering rond de plek, maar niet als historisch feit kan worden beschouwd.
De geschiedenis van De Tromp was nauw verbonden met het nabijgelegen landgoed De Braak. In 1807 kocht ontvanger-generaal Ludolph Theodorus van Hasselt, eigenaar van De Braak, de panden aan de Vennersteeg die toen de nummers 164 en 165 droegen. Hij betaalde daarvoor ƒ 461. De panden waren afkomstig van de weduwe van Jan Cornelis Harms, een meester-timmerman en huizenbezitter die de huizen waarschijnlijk zelf had laten bouwen.
In 1827 kwam De Braak in handen van Abraham Hesselink uit Sneek. Bij de bezittingen werd ook een behuizing genoemd die ‘De Tromp’ heette. In 1863 werd Dirk Hesselink eigenaar. Tot de bezittingen behoorden toen onder meer drie woonhuizen, bewoond door Jan Hartlief, Albert Bronsema en Hendrik Beerling.
Na het overlijden van Dirk Hesselink en zijn vrouw Trijntje werden De Braak en de bijbehorende bezittingen verkocht. Op 15 mei 1888 vond een openbare veiling plaats in logement De Kraak, dat later bekend werd als het Familiehotel. De Groninger ondernemer Jan Evert Scholten werd de nieuwe eigenaar van de buitenplaats. Voor De Braak en de bijbehorende bezittingen betaalde hij ƒ 29.144,50. Ook enkele percelen land op de Nieuwe Akkers, langs de Vennersteeg, kwamen in zijn bezit. Volgens de koopakte mocht op die grond niet worden gebouwd.
Ook De Tromp werd door Scholten gekocht. In het pand woonde op dat moment echter al Jan van Wijk, die er zijn eigen toekomst mee voor ogen had.
Jan van Wijk was een ondernemer die verschillende activiteiten combineerde. Hij was bakker, koopman, caféhouder en winkelier. Op 7 mei 1881 trouwde hij met Mina Rutgers. In De Tromp woonde toen Mechelina Beerling, weduwe van Keun. Nadat zij het pand had verlaten, gingen Jan en Mina er wonen. Op 10 juni 1881 werden zij ingeschreven aan de Vennersteeg. Jan werd officieel geregistreerd als winkelier.
In werkelijkheid was de onderneming inmiddels uitgebreider. Het huis functioneerde niet alleen als winkel, maar ook als café. Dat blijkt onder meer uit een aanvraag voor een drankvergunning in de periode waarin de nieuwe Drankwet werd ingevoerd. Daarmee werd het cafébedrijf van De Tromp ook officieel in de administratie zichtbaar.
Toch zat er een opmerkelijke tegenstrijdigheid in de geschiedenis van het pand. Toen Jan van Wijk in 1888 eigenaar werd, stond in de koopakte een bepaling dat het pand niet mocht worden ingericht of gebruikt als danshuis, koffiehuis, bierhuis, herberg of tapperij. Ook mocht het niet worden gebruikt als openbare gelegenheid waar drank of verversingen werden verstrekt. Met andere woorden: Jan kocht een pand waarvoor volgens de koopvoorwaarden een caféfunctie niet was toegestaan, terwijl er tegelijkertijd sprake was van een café en een drankvergunning.
Hoe deze tegenstrijdigheid juridisch precies is opgelost, is niet bekend. Er is geen verklaring gevonden die duidelijk maakt hoe de koopvoorwaarde en de verleende drankvergunning met elkaar konden worden verenigd. Vast staat wel dat de vergunning er kwam en dat Jan van Wijk het bedrijf voortzette.
In 1888 kocht Jan De Tromp voor ƒ 1.250. Vervolgens liet hij het oude pand, dat inmiddels bijna honderd jaar oud was, afbreken. In 1889 werd een volledig nieuw gebouw neergezet. Het nieuwe pand was ongeveer 14 meter breed en 23 meter lang. In 1911 volgde opnieuw een verbouwing. Het werd het bedrijf van Jan en Mina van Wijk en zou uiteindelijk bekend komen te staan als Café Van Wijk.
Het café vormde echter slechts een onderdeel van Jans ondernemingen. Naast het café had hij een winkel en een klein boerenbedrijf. Ook handelde hij in meel en later in kunstmest. De kunstmesthandel bleef zelfs tot in de Tweede Wereldoorlog bestaan. De winkel bleef eveneens jarenlang in bedrijf. De onderneming aan de Vennerstraat was daarmee geen café met toevallig wat nevenactiviteiten, maar een gecombineerd familiebedrijf waarin handel, landbouw, winkel en horeca naast elkaar bestonden.
In de loop van de jaren kreeg het café ook een bredere functie binnen het dorp. Dorpsbewoners kwamen er niet alleen om iets te drinken, maar ook om elkaar te ontmoeten, zaken te bespreken en nieuws uit te wisselen. Verenigingen en organisaties gebruikten het café als vergaderlocatie. Zo kwam bijvoorbeeld het veefonds van Eelde-Paterswolde er bijeen. Het café was daarmee een plaats waar verschillende onderdelen van het lokale leven samenkwamen: het verenigingsleven, zakelijke contacten, handel en sociale ontmoetingen.
Op 5 september 1925 droeg Jan van Wijk het cafébedrijf over aan zijn zoon Markus, de broer van mijn opa. Voor de overschrijving van de vergunning was toestemming nodig van Zijne Excellentie de Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid. Een eerder verzoek tot overdracht was afgewezen, maar uiteindelijk werd de vergunning wel op Markus overgeschreven. De gelagkamer had toen een oppervlakte van 45,95 m².
Op 7 april 1926 volgde ook de overdracht van een boerenbehuizing aan de Vennerstraat aan Markus. Daarbij hoorden een winkel, schuur, erf, tuin en bouwland. De koopsom bedroeg ƒ 8.000. Markus hoefde deze koopsom pas te betalen na het overlijden van zijn langstlevende ouder. Daarmee ging niet alleen het café, maar een aanzienlijk deel van het familiebedrijf van vader op zoon over.
Markus van Wijk zette de onderneming voort en bleef de plek aanpassen aan de veranderende omstandigheden. In 1957 liet hij op het terrein het Maxwill Theater bouwen. Hij wordt daarbij ook aangeduid als Markus van Wijk, alias Max. Het theater kwam in een periode waarin Paterswolde groeide en het dorp nieuwe inwoners en nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding kreeg. Het Maxwill Theater was een kleine bioscoop en theatercafé. Daarmee kreeg het terrein opnieuw een functie die aansloot bij de veranderingen in het dorp.
Het Maxwill Theater bleef echter niet lang bestaan. In 1967 sloot het zijn deuren. Daarmee kwam een einde aan de bioscoop- en theaterfunctie op deze plek.
Ook daarna bleef het pand in gebruik. Na de sluiting van de bioscoop en de horeca kreeg het achtereenvolgens andere bestemmingen. Zo kwam er onder meer een fotozaak, gerund door een zoon van de familie, en later een pizzeria. De verschillende functies laten zien hoe het gebouw zich in de loop van de tijd aanpaste aan veranderende behoeften. Wat begon als De Tromp en Het Tromphuis werd later het bedrijf van Jan en Mina van Wijk, vervolgens Café Van Wijk en het Maxwill Theater, en daarna een fotozaak en pizzeria.
Ook Mina Rutgers, de vrouw van Jan van Wijk, bleef onderdeel van de herinnering aan het bedrijf. Zij werd later aangeduid met de bijnaam ‘Muigie Mina’. De precieze betekenis en herkomst van ‘Muigie’ is niet met zekerheid vastgesteld. Het kan een lokale bijnaam of verbastering zijn geweest, mogelijk verbonden aan haar karakter, uiterlijk of een persoonlijke eigenaardigheid. Daarover is geen betrouwbare verklaring gevonden. Wel laat de bijnaam zien hoe mensen binnen een dorpsgemeenschap naast hun officiële naam ook onder een bijnaam bekend konden worden en hoe zo'n naam soms lang bleef voortleven.
De officiële documenten laten vooral zien wie iemand was volgens de administratie: eigenaar, winkelier, caféhouder, koper of verkoper. Een bijnaam als ‘Muigie Mina’ vertelt iets anders, namelijk hoe iemand binnen de gemeenschap werd aangeduid en herinnerd. Juist daarom kunnen dergelijke namen een waardevolle aanvulling vormen op de zakelijke en officiële geschiedenis van een familie en een pand.
Aan de Vennerstraat kwamen in de loop van ruim anderhalve eeuw veel verschillende activiteiten bij elkaar. Het pand stond bij De Braak, kende de naam De Tromp en werd verbonden met verhalen uit de Franse tijd. Jan en Mina van Wijk maakten er vanaf het einde van de negentiende eeuw hun bedrijf van. Er was een winkel, een boerenbedrijf, handel in meel en kunstmest en een café. Later nam Markus het bedrijf over en werd op het terrein het Maxwill Theater gebouwd. Na de sluiting daarvan kwamen er andere ondernemingen in het pand.
Ook tijdens de bevrijding kreeg de plek een plaats in de lokale herinnering: na de bevrijding sliepen er Canadezen. Daarmee werd opnieuw een gebeurtenis aan de lange geschiedenis van het gebouw toegevoegd.
De geschiedenis van de plek is daarmee vooral een geschiedenis van verandering. Het gebouw en de ondernemingen veranderden mee met de omgeving en met de behoeften van de bewoners van Paterswolde. Van een pand dat in de negentiende eeuw bekendstond als De Tromp, via het familiebedrijf van Jan en Mina van Wijk en het latere Café Van Wijk, tot het Maxwill Theater, de fotozaak en de pizzeria: de bestemming veranderde meerdere keren.
Wat door die veranderingen heen zichtbaar blijft, is dat de plek aan de Vennerstraat lange tijd een functie had binnen het dagelijks leven van Paterswolde. Mensen kwamen er voor handel, voor de winkel, voor het café, voor vergaderingen, voor het boerenbedrijf, voor het theater en later voor andere ondernemingen. Het was geen monumentaal gebouw dat zijn betekenis ontleende aan één gebeurtenis, maar een plek die betekenis kreeg door het gebruik ervan en door de mensen die er werkten, woonden en elkaar ontmoetten.
De geschiedenis van Café Van Wijk is daarmee verbonden met de geschiedenis van Paterswolde zelf: met de overgang van een agrarische dorpsgemeenschap naar een veranderende woonplaats, met nieuwe vormen van handel en ontspanning en met families die hun bedrijf van de ene generatie aan de volgende doorgaven. De namen De Tromp, Het Tromphuis, Café Van Wijk en Maxwill Theater markeren verschillende perioden in die geschiedenis. Het pand veranderde, de functies veranderden en uiteindelijk verdwenen ook de oorspronkelijke ondernemingen. Wat resteert, is de documentatie en de herinnering aan een plek waar gedurende vele jaren een deel van het dagelijkse leven van Paterswolde zich afspeelde.
Mijn herinneringen
Moeder Jannie kon koken als de beste. Ik vond het altijd een genot om bij hen te eten. Naar verluidt had zij haar kookopleiding in Zwitserland gevolgd.
Toen mijn ouders en zijn zus Mina en Huub 25 jaar getrouwd waren, hebben zij samen een feest in het café gegeven. De tafels waren de hele avond goed gevuld, de consumpties vloeiden rijkelijk en de band bleef maar spelen. Ik herinner me dat ik mijn vader later op de avond nog wat geld aan de band zag toestoppen, zodat ze vooral nog even door zouden spelen.
Tinus heeft die avond zichtbaar genoten.
Onze aanpak

Jan van Wijk
* Paterswolde 25-8-1889 te 21:00
Beroep: Tolgaarder, kleermaker, bakker, groentekweker
X Haren 2-5-1914 Klasina Heise
* Amsterdam 21-3-1894
Beroep:
Dochter van Jacob Heise en Jeichien Kremer
Alle kinderen van Jan zijn overleden.
De verhalen hieronder zijn zorgvuldig uitgekozen om geen privacy te schenden.
Let op;
Verhalen over anderen, door anderen zijn altjd gekleurd door eigen achtergronden, belevenissen en je plek in het gezin, de familie.
Verhalen van familie, buren die Jan gekend hebben, eigen herinneringen, vermengd met herineringen van Wiebe Kruijer (boek: Jeugdherinneringen)
Klasina en Jan van Wijk, een leven tussen Amsterdam, Haren en de Groningerweg
Het verhaal van Klasina van Wijk, geboren Heise, begint in Amsterdam, maar haar leven zou uiteindelijk nauw verbonden raken met het Groningse land en vooral met het kleine boerderijtje aan de Groningerweg 56. Het is een verhaal van familie, hard werken, eenvoud, bijzondere gewoonten en vooral van veel herinneringen die binnen de familie en bij buurtgenoten zijn blijven voortleven.
Klasina Heise: geboren in Amsterdam
Klasina is een dochter van Jacob Heise en Jeichien Kremer. Haar ouders trouwden in Amsterdam, slechts vier maanden voordat Klasina werd geboren. Jacob kwam oorspronkelijk uit Assen. Hij woonde samen met zijn moeder in Amsterdam en Jeichien kwam uit Vries.
Bij hun huwelijk waren vier getuigen aanwezig:
Johan Christoph Heise, de broer van Jacob, letterzetter, 28 jaar en wonende te Haren;
Jacob Kremer, neef van Jeichien, kleermaker, 28 jaar en wonende te Amsterdam;
Harm Kremer, broer van Jeichien, sergeant, 28 jaar en wonende te Amsterdam;
Johannes Jacob Wright, kleermaker, 27 jaar en wonende te Amsterdam.
Waarom Jacob en Jeichien precies naar Amsterdam gingen, is nooit helemaal duidelijk geworden. Natuurlijk ligt een economische reden voor de hand. Jacob was kleermaker en kwam vanuit Drenthe naar de grote stad om zijn geluk te beproeven. Maar hij was er zeker niet alleen. Er woonde al familie van hem in Amsterdam: zijn vader Lucas Heise en zijn broer Johan Christoph. Ook een zus van Jeichien woonde er. Bovendien waren verschillende familieleden eveneens werkzaam als kleermaker. Er was dus een vertrouwde familiekring waarin Jacob en Jeichien hun kansen konden wagen.
Tante Mina en oom Piet konden zich herinneren dat hun moeder vertelde dat zij vanuit huis de Westertoren kon horen. Jacob woonde ongeveer drie jaar in Amsterdam. Samen met zijn zwager Hendrik Kremer, die eveneens kleermaker was, vormde hij daar een klein familieverband. Hendrik kwam op 20 mei 1895 bij Jacob en Jeichien inwonen.
Klasina werd geboren aan de Da Costastraat 78.
Wanneer haar geboorte bij het bevolkingsregister werd aangegeven, gebeurde dat door Lucas Heise, wonende aan de 2de Nassaustraat 13, en Johan Christoph Heise, letterzetter en eveneens wonende aan de 2de Nassaustraat 13. Lucas was de grootvader van Klasina en Johan Christoph haar oom, de broer van haar vader Jacob.
Klasina bracht haar eerste één jaar en zeven maanden in Amsterdam door.
De verhuizingen van haar ouders zijn vrij nauwkeurig te volgen. Op 25 januari 1892 schreef Jacob zich eerst in bij zijn broer Johan Christoph. Op 15 november 1893 schreef hij zich in op de Rozengracht bij weduwe C.B. Heman. Een week later, op 21 november 1893, vestigde hij zich samen met zijn vrouw Jeichien in de Hazenstraat, een straat tussen de Elandsgracht en de Lauriergracht.
Op 19 december 1893 verhuisden zij naar de Da Costastraat, gelegen tussen de Kinkerstraat en de Jacob van Lennepstraat. Op 7 juni 1894 verhuisden ze naar de 2de Nassaustraat 5 en op 15 oktober 1894 naar 2de Nassaustraat 23, tussen de Nassaukade en de Wittenkade.
Op 15 oktober 1895 vertrok het gezin uit Amsterdam naar Haren (Glimmen). Jacob, Jeichien en de inmiddels geboren Klasina vertrokken samen met Hendrik Kremer, die de laatste vijf maanden bij hen had ingewoond.
In Haren zou Jacob een heel ander beroep krijgen: hij werd caféhouder.
Het verhaal over Jeichien
Binnen de familie wordt verteld dat Jeichien Kremer in de trein onderweg naar Amsterdam is overleden. Daarvoor is echter nog geen bewijs gevonden. Wel staat zij in 1922 met een akte als overleden te Amsterdam geregistreerd.
Dat betekent dat het familieverhaal voorlopig als herinnering moet worden beschouwd en niet als bewezen feit.
Jan van Wijk: van bakker tot tolgaarder en keuterboer
Over Jan van Wijk is veel te vertellen. Zijn leven kende verschillende werkzaamheden. Hij begon als bakker.
Een gebeurtenis rond de aanleg van de telefoonkabels in het dorp maakte daar uiteindelijk een einde aan.
Toen er in het dorp kabel werd aangelegd voor de telefoonmaatschappij, zouden er drie mannen bij Van Wijk in huis komen wonen. Dat was voor Jan aanleiding om eens naar de inboedelverzekering te kijken. Een tussenpersoon uit het dorp kwam bij hen thuis en samen werden de zaken bekeken.
Kort daarna zette één van de drie telefoonmannen de zaak door een brandende sigaret in brand. Er werd vervolgens een claim bij de brandverzekering ingediend. Toen bleek echter dat de gewijzigde gegevens over de situatie in huis niet aan de verzekering waren doorgegeven.
Ook na een gesprek met de dorpeling die als tussenpersoon had opgetreden, viel er aan het besluit van de verzekering niets meer te tornen. Daarmee betekende deze kwestie het einde van de bakkerij.
Er was overigens nog een andere bijzonderheid uit de tijd dat Jan bakker was. Volgens oom Piet waren de kinderen, op Piet na, allemaal hervormd. De kerk nam in die tijd brood af bij de winkel van Jan. Toen er echter een tweede bakker in de buurt kwam, werd deze de leverancier van brood aan de kerk.
Het gevolg was bijna symbolisch: de kerk was geen klant meer van de bakker en de bakker was geen klant meer van de kerk.
Na zijn periode als bakker werd Jan tolgaarder bij het tolhuisje aan de Groningerweg.
Het tolhuis aan de Groningerweg
Jan werkte ongeveer twee jaar als tolgaarder. Tijdens zijn werk als tolgaarder verkocht hij daarnaast ook loten.
Bijzonder genoeg won hij twee keer zelf de hoofdprijs.
Maar rijk werd hij er bepaald niet van.
De eerste keer won hij een paard en wagen, een koets. Hij werd uitgebreid gefeliciteerd en al die felicitaties brachten natuurlijk de nodige versnaperingen met zich mee. Uiteindelijk werd de gewonnen koets maar te gelde gemaakt.
De tweede keer won hij een motor. Helaas kon Jan het lot niet meer terugvinden. De motor heeft hij daardoor nooit ontvangen.
In het tolhuisje werd ook zijn zoon Piet van Wijk geboren. Een zuster van Piet vertelde later dat zij als kind zag dat de dokter met een koffertje vol medische spullen het huis binnenkwam en even later weer vertrok. Haar conclusie was eenvoudig: Piet was uit een koffertje geboren.
Na twee jaar als tolwachter te hebben gewerkt, vertrok opa Jan van Wijk naar Groningerweg 56.
Het kleine boerderijtje aan de Groningerweg 56
Aan de Groningerweg 56 had Jan een keuterboerderijtje met een kapschuur. In de kapschuur zaten ongeveer 40 kippen.
Bij het huis hoorde een deel/koestal. Tot 1953 waren er acht melkkoeien. Later werd de ruimte vooral als werkplaats gebruikt.
Opa Jan had vroeger ongeveer acht koeien. Die moesten iedere dag worden gemolken: 's morgens om 05.00 uur en 's avonds om 17.00 uur. Dat deden opa Jan en Tinus of Piet om de beurt, zoals het uitkwam.
Naast koeien waren er konijnen, ongeveer veertig kippen, eenden, varkens en een kwekerij.
Op het land werd van alles verbouwd: rabarber, aardbeien, spinazie, andijvie, aalbessen, worteltjes, radijs, spitskool, asperges, snijbonen, tuinbonen, sperziebonen en rode bieten.
De aardbeien gingen in de typische groene doosjes voor de verkoop. Die doosjes zijn tegenwoordig nog wel bij de echte groenteboer te zien, maar vrijwel niet meer in de supermarkt.
De rabarber werd gewoon rauw opgegeten en erop gekauwd.
De groente- en fruitoogst werd geweckt in glazen potten die in de kelder stonden. De aardappeloogst kwam onder de bedstee te liggen en de appeloogst werd op zolder bewaard, waar de appels gedurende de winter lang goed bleven.
Het was een eenvoudig bestaan, maar er werd hard gewerkt.
Jan en Siena stonden bekend als oppassende burgers en noeste werkers. Helaas kregen ze naar het gevoel van de familie nooit loon naar werken. Het leven kon hard zijn.
Er was bij het huis een molentje waarmee elektriciteit werd opgewekt en er stond een oude waterpomp.
Een huis zonder waterleiding en elektriciteitsnet
Het huis lag een stukje van de weg af. Tot enkele jaren na de oorlog was er nog geen aansluiting op de waterleiding en het lichtnet.
Voor water was er de pomp. Waarschijnlijk zat er ijzer in het grondwater. De ramen die jarenlang met dat water werden schoongemaakt, kregen daardoor een opvallende metaalachtige blauwbruine glans.
Voor elektriciteit zorgde een windmolentje. Zonder wind was er geen elektriciteit. Later werd dit opgelost met een accu waarin de opgewekte stroom kon worden opgeslagen.
In het huis stond de plee bij de achterdeur. Het toilet bestond uit een gat met een deksel. De inhoud werd over het land gebracht, waar aardappelen en andere gewassen werden verbouwd. Het was dus letterlijk onderdeel van de kringloop van het boerenbedrijf.
De herinnering aan dit toilet is levendig: als kind ging ik, Gina, bij opa Jan niet graag naar de wc, hoewel zij een dergelijk toilet bij haar andere oma wel gewend was.
Het huis had bovendien aanvankelijk geen eigen toegangsweg naar de Groningerweg.
De officiële uitgang liep aan de achterkant naar de dijk langs het Kanaal. Het was een smal paadje dat vanaf de sloot bij het huis over het erf van de familie Bakker naar de straat liep. De familie Bakker had daarvoor toestemming gegeven.
Met een paard en wagen of met een auto was het huis echter niet bereikbaar.
Er bestaat zelfs een herinnering aan Jacob Heise, die een slecht been had. Wanneer hij op bezoek kwam, zette de taxi hem aan de weg af en werd hij met een kruiwagen opgehaald.
In het uiterste geval mocht de familie de oprijlaan van Geert Bensink gebruiken.
Later was Bertus Nijdam bereid Jan een stuk land te verkopen, zodat er een ruime uitweg naar de Groningerweg kon worden gemaakt.
De vader van Wilhelm Kruijer had nog zand liggen dat afkomstig was van het egaliseren van hun tuin. Jan nam dat zand over om een behoorlijke laan naar zijn huis te maken.
Opa Jan van Wijk bracht samen met zijn zonen Jacob en Tinus het zand met houten kruiwagens over een afstand van ruim 150 meter naar hun eigen oprijlaan. Het was een fikse klus.
Volgens de herinnering van Wilhelm was het pad ongeveer 60 meter lang en zeker 3 meter breed. Daar moeten heel wat kruiwagentjes voor zijn gebruikt.
Het zand werd in etappes naar de woning gebracht: eerst tot halverwege de oprijlaan van de familie Bensink en vandaar verder naar de eindbestemming.
Als kind herinnerde de verteller zich dat zij tijdens het rijden over de betonplaten goed moest opletten tussen welke huizen de oprijlaan lag. De licht slingerende oprijlaan bracht je uiteindelijk bij het kleine boerderijtje. Het duurde even voordat je het huis zag.
De oprijlaan gaf als kind het gevoel dat je even terug in de tijd ging. Het huis lag zo achteraf dat je je werkelijk even ver van de wereld waande.
Het had wel wat: zo'n lange oprijlaan die je ver van de wereld bracht.
Het boerderijtje lag naast het gebied dat bekendstond als Tien Matten.
Hoeveel land hoorde erbij?
Over de hoeveelheid grond bij het boerderijtje bestaan verschillende herinneringen.
Ergens werd vermeld dat er acht hectare land bij het boerderijtje zou hebben gehoord. Wilhelm Kruijer betwijfelt dat nadrukkelijk. Volgens hem hoorde er bij het boerderijtje zelf ongeveer één tot hooguit anderhalve hectare land, voornamelijk gebruikt als tuingrond.
Naast en tussen hun tuin en Tien Matten lag volgens hem een stuk weiland van ongeveer drie à vier hectare, waarvan hij meent dat dit van Bleker werd gehuurd.
Daarnaast huurde Van Wijk nog ongeveer 15 are tuingrond van Geert Bensink, het zogenaamde ‘hounderpark’.
Wilhelm geeft daarbij nadrukkelijk aan dat hij niet helemaal zeker is van de maten en dat dit, wanneer het belangrijk is, nog uitgezocht zou kunnen worden. Daarbij wordt ook de naam dhr. Ten Pas genoemd.
Oom Piet vult de herinnering aan: het gehuurde weiland van Bleker was volgens hem ongeveer 2,5 hectare. Daarnaast hadden zij nog 20 are eigen grond, buiten het stuk van Bensink.
Het gezin Van Wijk
In het kleine huisje speelde zich het hele familieleven af.
In de periode waarin de familie bij Wiebe Kuijer bekend was, woonden er vader en moeder Van Wijk, Jan en Siena, en hun kinderen Jacob, Mina, Tinus en Pieter. En natuurlijk waren er ook de tortelduiven.
Er was nog een oudere zus en een oudere broer, maar die werden nauwelijks gekend. Heel vaag wordt ook herinnerd dat er een dochtertje van die oudere zus was, mogelijk eveneens een Sina.
Dit moet Sinie van tante Gine zijn.
Mina sliep in een kamertje achter het halletje. De ouders sliepen in de bedstee in de kamer en de jongens sliepen op de open zolder.
Via de achterdeur kwam je in een soort hal. Rechts was een deur naar de kamer en links een deur naar de koeienstal. Daar stond ook de ladder naar de open zolder.
De woonkamer was ingericht zoals in zoveel eenvoudige Drentse huisjes. In het midden stond de eettafel met een zeiltje en in de woonkamer was de bedstee.
Het was niet altijd even schoon bij opa. Het was, zoals de herinnering het omschrijft, echt een mannenhuishouding.
Toch roept het oude huis ook een sterk gevoel van herkenning op. De oude kapschuur, de pomp, het molentje en de eenvoudige inrichting vormen een beeld dat diep in de herinnering is blijven zitten.
Klasina van Wijk: moeder van het gezin
Klasina Heise was gek op lezen. Ze las graag romans. Pieter ging op zaterdag naar het Dorpshuis om boeken voor haar te ruilen.
Ook in huis was Klasina duidelijk aanwezig.
Wanneer ze haar kinderen op het land nodig had, gebruikte ze een bijzondere roep. Ze had een soort ‘indianenroep’ ontwikkeld: een holle oehoe die kilometers ver te horen was.
Zo konden de mannen op het land worden geroepen wanneer het eten of de koffie klaarstond.
Maar de roep had nog een andere functie.
Wanneer er onweer in de lucht hing, gingen Pieter en Wilhelm Kruijer nogal eens vissen. Volgens hen was de paling dan ‘op de loop’.
Klasina vond dat helemaal niet prettig. Ze was een beetje bang voor onweer. Zodra het erop leek dat er zwaar weer aankwam, klonk haar ‘oehoe’ dan ook over het land.
De jongens wisten wat dat betekende.
Ze dachten er niet aan haar roep te negeren en gingen braaf naar huis.
Klasina maakte ook graag iets van de oogst. Wanneer Piet en Wilhelm samen bramen hadden geplukt, maakte Klasina/Siena daar bramenjam van. Ze was altijd blij met de opbrengst.
Klasina zelf zou later graag hebben gezien dat haar dochter Mina kapster werd. Dat is een aardige bijzonderheid, want Klasina's broer Pieter werd inderdaad kapper. Hij runde naast de horecagelegenheid van zijn vader een kapperszaak.
De gezondheid van Klasina
Van oom Piet kwam later een belangrijk verhaal over zijn moeder.
Klasina was geopereerd en had daarna nog één nier. Met die ene nier heeft zij nog ongeveer vijftien jaar geleefd.
In het laatste jaar van haar leven kreeg ze bij de Braak in Paterswolde een ongelukje met de fiets. Vanaf een fietspaadje kwam ze in een moddersloot terecht.
Enkele weken later overleed zij (kou gevat?).
Jan Snoar en Jan Grootleugen
Opa Jan van Wijk had twee bijnamen: Jan Snoar en Jan Grootleugen.
Jan pruimde tabak. Onder het afwassen werd er door opa Jan en oma Klasina gezongen. En wanneer Jan koffie dronk, deed hij dat niet gewoon uit een kopje.
Hij dronk zijn koffie vanuit een schoteltje.
Dat schoteltje was dieper dan de schoteltjes van tegenwoordig. De koffie koelde daardoor sneller af en na ongeveer een half uur kon Jan weer aan het werk.
Jan was vroeger arm. Dat kon je volgens de herinneringen ook aan zijn kleding zien. Hij droeg een grote riem om zijn middel en onder zijn pet zat een markante kop met een grote snor. Er groeiden haren vanaf het puntje van zijn neus en ook uit zijn oren.
Zijn andere bijnaam, Jan Grootleugen, had hij te danken aan zijn lange, prachtige verhalen.
Die verhalen sloten niet altijd logisch op elkaar aan. Wanneer hij ergens een andere richting aan zijn verhaal wilde geven, gebruikte hij de bekende tussenzin:
‘Maar alla doar nait verder over.’
Daarmee kon hij moeiteloos doorgaan naar het volgende hoofdstuk.
Hij had een woord als een klomp. Het waren sterke verhalen, terwijl Jacob er stilletjes naast stond te smijgelen.
Het varken van vierhonderd pond
Een van de mooiste verhalen over Jan Grootleugen gaat over een varken.
Op een dag vertelde Jan dat hij een varken ging slachten. Hij had het dier zelf gevoerd en volgens Jan woog het varken wel 400 pond.
Dat was natuurlijk de moeite van het bekijken waard.
Op de bewuste dag gingen de broers Kruijer daarom even kijken.
In het gangetje hing het dier aan een ladder.
En ja, de broers hadden het kunnen weten.
Het beestje woog nog geen 200 pond.
Jan zat ondertussen op zijn knieën in de hoek van de kamer. Voor zich stond een zinken wasteil met varkensbloed. Hij was bezig daar roggemeel doorheen te kneden.
Tot aan zijn ellebogen zat hij in de bloederige smurrie.
Opa Van Wijk haalde ook verschillende keren bloed op van een door de Kuijer geslacht varken. Het bloed werd onder stevig roeren in een emmer opgevangen en vervolgens samen met spek en roggemeel verwerkt tot bloedworst.
Op een gegeven moment had opa zelf twee varkens: één voor de slacht en één voor de verkoop.
Het slachten gebeurde door Bijkerk.
Daarna moest het varken een paar dagen besterven. Naast het huis stond een grote pot waarin de pootjes en andere resten werden gekookt.
Dat gebeurde ook tijdens de oorlog. Omdat het huis zo ver van de weg lag – ongeveer 30 à 40 meter – kon dat zonder dat iedereen het meteen zag.
De oorlogsjaren
Aan het begin van de oorlog kreeg Jan van Wijk het verzoek om op zijn erf een paar vaten petroleum te begraven en te bewaren voor een gunstig moment.
Het ging om vaten van elk 100 liter.
Toen het moment eenmaal was aangebroken, riep Jan de hulp in van zijn buurjongens Willem en Jacob. Samen lukte het hen om de vaten weer naar boven te halen.
Wie precies met Jacob wordt bedoeld, de buurjongen of zoon Jacob, is in de herinnering niet helemaal duidelijk.
Het moet in die tijd voor beide partijen waarschijnlijk een goede investering zijn geweest.
De zondag bij Van Wijk
Bij de familie Van Wijk was het de gewoonte om op zondagmorgen gewoon te werken.
Pas na de middag werd het werk stilgelegd.
Op zondagmiddag kreeg iedereen die aanwezig was een flesje drinken.
Op zaterdagmiddag gingen Pieter en Wilhelm, de buurjongen, naar de Boterdijk, naar Hofkamp, de drankenhandel, om een paar flesjes te halen. Waarschijnlijk zat daar ook bier bij.
Voor Wilhelm was dat een bijzondere luxe. Zo'n gewoonte kende hij thuis niet.
Kippen, konijnen en andere dieren
In de kapschuur zaten ongeveer veertig kippen. In mijn gedachten moeten dat er meer zijn geweest.
De buurjongens kwamen af en toe een slachtkip ophalen. Jan had daarvoor een eenvoudige en bijzonder rustige methode.
Hij nam een stok met een stukje gebogen ijzerdraad eraan. Daarmee haakte hij heel rustig een kip aan de poot en trok hij het dier naar zich toe.
Op die manier ontstond er geen paniek in het kippenhok.
Er waren ook konijnen.
Als kinderen vonden Gina en en haar jongste broer het maar zielig dat al die konijnen opgesloten zaten. Ze besloten daarom op een dag de konijnen los te laten.
Daar hadden de volwassenen vervolgens wat werk aan.
Gina ziet haar vader, oom en opa nog steeds over het erf rennen om de losgelaten konijnen weer te vangen.
Tja, die stadskinderen toch.
De konijnen kregen overigens altijd voer van de kinderen, ook al mocht dat eigenlijk niet.
Paling, brasem, fazanten en duiven
Opa Jan was ook actief met het vangen van voedsel uit de omgeving.
Volgens Ineke Bakker zette opa fuiken uit aan de Madijk om paling te vangen.
Sommige palingen waren zo dik als een arm. Ze werden buiten aan de muur gehangen om te drogen en vervolgens in het zuur gezet.
Ook werden er met een hengel aan de Madijk brasems gevangen. Die werden gebakken of eveneens in het zuur gezet.
Opa ving bovendien in zelfgemaakte hokken fazanten voor consumptie.
Ook duiven werden gevangen met hetzelfde doel.
Daarnaast werden nesten van tortelduiven opgespoord. Wanneer de jongen bijna vliegklaar waren, werden ze uit het nest gehaald en met de hand verder grootgebracht. Daarna werden ze verkocht.
De tortelduiven die bij de familie zelf werden gehouden, zaten in een kooi in de kamer, bij voorkeur boven de deur.
Jan en Klasina hadden ook een paartje tortelduiven in een kooi boven de deur hangen. Volgens het volksgeloof bracht dat geluk aan iedereen die eronderdoor liep.
Of de tortelduiven werkelijk een goed leven hadden bij de mensen is echter maar de vraag. De kamertjes waren klein en vaak rokerig, en de kooien hingen hoog tegen het plafond. Vanuit het perspectief van tegenwoordig zal dat leven waarschijnlijk niet al te best zijn geweest.
Afval, water en het leven op het land
Het huisafval werd eenvoudigweg verbrand of in een gegraven kuil gedumpt.
Het leven was sterk verbonden met de seizoenen.
Met Pasen, op tweede paasdag, was er een paasvuur. Overtollig houtafval werd verzameld op een paasbult, die 's avonds in brand werd gestoken.
Op die dag werd bovendien rijst gegeten met bruine suiker, kaneel en een klontje boter. En natuurlijk werden er zoveel mogelijk eieren gegeten.
Ook Nieuwjaar kende zijn eigen traditie. Dan werden er rolletjes gebakken met een wafelijzer.
De buurjongens en de taal van Jan
Een mooie herinnering van buurjongen Wilhelm Kruijer gaat over de ontmoeting met Huub, de aanstaande schoonzoon van Jan van Wijk.
Wilhelm was samen met zijn vader bezig een bunzingval voor hun kattenluikje te installeren toen Jan van Wijk met Huub langs kwam.
Jan stelde hem voor als Huub.
Het was duidelijk dat Huub uit het westen van het land kwam en hij had, heel begrijpelijk, moeite met het Gronings.
Jan van Wijk sprak namelijk altijd Gronings en had op zijn beurt moeite om snel over te schakelen naar het Nederlands.
Toch wilde Jan Huub de werking van de bunzingval uitleggen.
Dat ging ongeveer zo:
‘Hier zit een palletje en daarbinnen zit een plankje. Loopt nu de bunzing over het plankje dan schiet dat palletje los en dan vallen de kleppen omdeel, zie je?’
Voor iemand die het Gronings niet machtig was, zal dat ongetwijfeld een bijzondere eerste kennismaking zijn geweest.
De herinneringen aan het boerderijtje
De herinneringen aan Groningerweg 56 zijn vooral zintuiglijk.
Wanneer de familie naar opa Jan reed, was het cadans van de auto op de betonplaten al een waarschuwing dat ze er bijna waren.
Groningerweg 56 was bereikbaar via een smalle doorgang en een oprijlaan van 60 meter.
Een licht slingerende oprijlaan leidde naar het kleine boerderijtje.
In de woonkamer stond de bedstee. In het midden van de kamer stond de eettafel met het zeiltje. In de gang tussen de woonkamer en de koeienstal zat de wc.
Die wc was, net als bij de andere oma, van hout en had daaronder een opvangbak met een houten deksel. De inhoud werd gebruikt op het land, onder andere bij de groente.
Het was een wereld die voor kinderen tegelijkertijd vertrouwd en bijzonder was.
De oude kapschuur gaf een gevoel van herkenning. Ook het idee van het molentje waarmee de stroom werd opgewekt en de oude waterpomp is sterk blijven hangen.
En dan was er het pompwater waarmee Siena de ramen waste. Waarschijnlijk door het ijzer in het water kregen de ramen na verloop van tijd die karakteristieke blauwbruine metaalachtige gloed.
Ook de elektrische lamp aan de gevel vertelt iets over de veranderingen in de tijd. Op een foto is die lamp te zien, maar volgens de herinneringen moet die uit een latere periode zijn. In de eerdere jaren was er immers nog geen aansluiting op het lichtnet.
Leren in een eenvoudig huis
Een herinnering van Wilhelm Kruijer werpt ook een ander licht op het gezin.
Hij vindt het achteraf eigenlijk prijzenswaardig dat de jongens, en volgens hem waarschijnlijk ook Mina, na de lagere school nog verder hebben geleerd.
Thuis was nauwelijks een eigen plek om te leren. Er was bovendien geen aansluiting op het elektriciteitsnet.
Toch hingen er bij Jakob vier ingelijste diploma's aan de muur.
Het voorbeeld daarvan heeft indruk gemaakt. Ook thuis bij de verteller werd, mede aan de hand van dat voorbeeld, regelmatig gezegd dat je met een diploma van de tuinbouwschool best nog iets kon bereiken.
Het familieleven in het kleine huis
Het kleine huisje aan de Groningerweg was niet groot, maar het was wel het middelpunt van het familieleven.
Jan en Siena woonden er met hun kinderen. Mina had haar eigen kamertje achter het halletje. De ouders sliepen in de bedstee en de jongens op de open zolder.
Er waren dieren, een moestuin, een kapschuur, koeien, kippen, konijnen, varkens en duiven.
Er werd gewerkt, gegeten, gezongen, gelezen en geslapen.
De koffie werd van een schoteltje gedronken.
De groenten werden verbouwd en geweckt.
De aardappelen gingen onder de bedstee en de appels naar zolder.
De melkkoeien moesten tweemaal per dag worden gemolken.
Er werd paling gevangen aan de Madijk, brasem gebakken, vlees verwerkt en bloedworst gemaakt.
Op zondagmorgen werd gewoon gewerkt.
En op zondagmiddag was er een flesje drinken.
Het was een eenvoudig bestaan, maar wel een leven waarin vrijwel alles een functie had en waarin familie, buren en omgeving nauw met elkaar verbonden waren.

A.M. van Wijk

Gina

Praktijkonderzoek
Geef een beschrijving voor dit tabblad op en voeg informatie toe die interessant is voor sitebezoekers. Als u de tabbladen bijvoorbeeld gebruikt om diverse services uit te lichten, kunt u beschrijven wat iedere service uniek maakt. Als u tabbladen gebruikt om menugerechten weer te geven, beschrijft u waarom een bepaald gerecht de moeite waard of ontzettend lekker is.










